Leesimpressies

  • Alexander Waugh: De Wittgensteins

  • Nr. 18 - 2009
  • Vorige week was er een verblijf in Cambridge, plek waar eens de inzichten ontkiemden van Isaac Newton, Charles Darwin, Bertrand Russell en Ludwig Wittgenstein. Het is een paar weken na de onverwacht verloren Boat Race. De stad valt langzaam terug in zijn gewone plooi. Volgend jaar revanche. Ooit was ik bezig een scriptie te schrijven over de betekenis van Wittgenstein’s filosofie voor de rechtswetenschap. Het was een onverschrokken periode. De sleutelhoofdstukken zou ik elders schrijven. Niemand bood een woning aan in Cambridge of Wenen wat zeker geholpen zou hebben. Het werd de Ardèche. Schitterende omgeving, verkeerde plek.

    In het voorwoord van zijn beroemde boek Tractatus logico-philosophicus uit 1922 schreef Wittgenstein dat hij alle filosofische kwesties definitief opgelost had. In de ochtenduren, als de zon scheen, beaamde ik dat volmondig. Zijn filosofie was bondig en helder van formulering, een imposant bouwwerk. De volgende ochtend was echter alles in mist gehuld. Tot op een dag de mist niet meer optrok. Tenslotte schreef ik een scriptie over een ander onderwerp, iets met beide benen op de grond over de vraag in welke mate algemene rechtsprincipes herkenbaar zijn in de tuchtrechtspraak van de KNVB. Wittgenstein bleef intrigeren, misschien nog wel meer dan de man en zijn denkwereld, bleef het verschijnsel intrigeren dat iemand die niemand begrijpt zo’n aantrekkingskracht uitoefent. Wittgenstein was een excentriek man afkomstig uit een excentrieke familie. Alexander Waugh schreef over deze familie in 2008 een boek. Waugh had alvorens dit waagstuk op zich te nemen geoefend op zijn eigen familie. Hij, de kleinzoon van Evelyn en zoon van Auberon, schreef eerder het veelgeroemde Fathers and sons.


    Was sich überhaupt sagen läßt, läßt sich klar sagen


    Hoewel Waugh een hele familie tot onderwerp heeft gekozen, gaat de meeste aandacht uit naar de twee beroemdste telgen, de broers Paul en Ludwig, de pianist met één arm en de filosoof. De aanloop voert terug naar hun grootouders in de mannelijke lijn. Herman Christiaan Wiitgenstein leefde van 1802 tot 1878 en kreeg samen met zijn vrouw Fanny elf kinderen waaronder Karl die het staalimperium, waarvoor grootvader de basis had gelegd, uitbouwde met als gevolg dat de familie tot grote rijkdom kwam. Het staal werd benut voor de fabricage van spoorstaven. Karl en zijn vrouw Poldi kregen negen kinderen waarvan Paul en Ludwig de jongste waren. Daarmee is het tableau van het verhaal getekend. Het boek begint met een schematische stamboom die in een oogopslag duidelijk maakt wie ook weer wie was. Een welkome service vooral bij kinderrijke gezinnen.

    Paul en Ludwig hadden niet alleen van doen met een autoritaire vader maar ook met de broers en zussen boven hen. Dat gezelschap raakte wel uitgedund. Een zus was kort na de geboorte overleden en drie broers pleegden zelfmoord. Hoe meer doden des te meer spanningen en ruzies ontstonden er in de familie. Het bijzondere is dat de familie desondanks hechte banden bleef onderhouden. De nooit getrouwde oudste zus Hermine fungeerde als een matrone. Conflicten scheppen een band en houden de boze buitenwereld op afstand. Het paleis waar de familie in Wenen woonde was een ontmoetingsplaats voor beroemde muzikanten en componisten. Brahms, Schönberg en Mahler kwamen er over de vloer. De muzikale dimensie in het leven van de Wittgensteins krijgt veel aandacht. Alexander Waugh, die muziek studeerde en werkte als muziekcriticus, heeft voor dit aspect een speciale belangstelling. Uitvoerig staat hij stil bij de opdrachten die Paul verstrekte zoals aan Maurice Ravel om pianoconcerten voor de linkerhand te componeren. Dat resulteerde in conflicten. Paul, die zijn handicap overhield aan het slagveld van de Eerste Wereldoorlog, bedong exclusiviteit gedurende zijn leven en vond steevast het orkestdeel te overheersend. Zijn aanpassingen stuitten op verzet bij de makers. Waugh blijft in het boek dicht bij de feiten. Hij maakt veel gebruikt van bronnen als brieven en krantenberichten. Zijn interpretaties stopt hij bij voor keur in bijvoeglijke naamwoorden. Naast muziek vormt geld een rode draad door het familieportret. Er zijn lange passages over de strijd om het familiekapitaal buiten de begerige handen van de Nazi’s te houden. Voor Ludwig was het geld een last. Hij deed afstand van zijn deel van het familiekapitaal. Ludwig wordt ruim bedeeld met beschrijvingen over zijn levenswandel en dan met name zijn omzwervingen over locaties en beroepen. Er was een periode als onderwijzer op het Oostenrijkse platteland waaraan een einde kwam doordat hij een jeugdige leerling bewusteloos sloeg. Zijn opleiding begon op een school in Linz waar hij Adolf Hitler trof die in leeftijd zes dagen met hem verschilde. Twee buitenbeentjes waarvan de verkeerde doorging in het staal. Voorzichtig is Waugh met een interpretatie van het werk van Ludwig. Liever schrijft hij over de indruk die hij op anderen maakte. Ludwig gold als een genie waarvoor kenmerkend is dat iemand niet alleen op artistiek of wetenschappelijk vlak bijzondere prestaties verricht maar vooral dat iemand een uitzonderlijke persoonlijkheid bezit. Ludwig pendelde tussen narcisme en zelfhaat. Zelfmoord, als familietrekje, lag ook bij hem op de loer. Hij zou in 1951, op 62-jarige leeftijd, aan de gevolgen van kanker sterven. Cambridge vormt zijn laatste rustplaats, de stad die dit jaar wel met boksen wist te winnen van Oxford.