Leesimpressies

  • Andrea Levy: Klein eiland

  • Nr. 34 - 2007
  • Het is 1948 als Hortense Roberts per boot vanuit Jamaica in Londen arriveert om zich bij haar echtgenoot Gilbert te voegen die ze een half jaar niet gezien heeft. Ze heeft de kweekschool achter de rug en koestert grote verwachtingen om in het moederland een nieuw bestaan op te bouwen. In keurige bewoordingen, Engelser dan de BBC, vraagt ze de weg naar het adres van haar man. De mensen verstaan haar echter niet. Aangekomen op het juiste adres merkt ze genoegen te moeten nemen met slechts één kamer in onderhuur waar amper plaats is voor haar hutkoffer. Haar man kent ze nauwelijks. Ze heeft hem van haar vriendin afgetroggeld door hem geld te geven voor de oversteek naar Engeland in ruil voor zijn trouwbelofte. Gilbert heeft eerder bij de RAF gediend en gevochten in de tweede wereldoorlog. Terug in Jamaica heeft hij zijn militaire premie verspeeld in een eigen bedrijf. Ook voor hem is Engeland het beloofde land, centrum van het grote imperium waar Jamaica deel van uitmaakt. Naast het echtpaar Hortense en Gilbert heeft Andrea Levy in haar bijzondere roman een hoofdrol toebedeeld aan een tweede echtpaar, aan Queenie en Arthur de huisbazen van het Jamaicaanse stel. Een donker en een blank koppel.


    De ouders van auteur Andrea Levy zijn afkomstig uit Jamaica maar zelf is ze geboren in Engeland en getogen in Londen. Ze is vertrouwd met twee werelden. In haar roman vertelt zij elk hoofdstuk vanuit het perspectief van één van de vier hoofdpersonen. We leren hen allen van binnenuit kennen met eigen ambities, ergernissen en tone of voice. Behalve de wisseling van personage zijn er sprongen in de tijd. De actualiteit van 1948 wordt afgewisseld met eerdere episodes. Dat levert een rijk boek op. Er zijn twee maatschappelijke ontwikkelingen die een ontwrichtende invloed uitoefenen op het leven van de karakters. Er is de tweede wereldoorlog met haar nasleep en er zijn grote raciale tegenstellingen. Het Engeland van die tijd zou naar de normen van nu als onverbloemd racistisch getypeerd kunnen worden, hoewel het historisch waarschijnlijker juister is om de tijdgeest van toen op te hangen aan lompe onwetendheid. De koloniën waren ver weg en men wist nauwelijks iets van hun bewoners. Die zag je ook amper. Queenie is een gunstige uitzondering. Zij ziet de mens achter de donkere huidskleur. Misschien voert dat wel terug naar een gebeurtenis uit haar jeugd als haar vader bovenin een achtbaan een uitspraak doet die haar altijd bij zal blijven: de wereld ligt aan je voeten. Queenie heeft er geen moeite mee om mensen die er anders uitzien als onderhuurders te accepteren tot ongenoegen van de buurtbewoners. Ook haar man Arthur belichaamt een vijandige houding maar zijn bijdrage gaat laat een rol spelen omdat hij tijdens de oorlog in Azië dient en zich pas in de loop van 1948 weer thuis meldt uit schaamte over een misstap. Arthur, een saaie burgerman, heeft zich aan een avontuur bezondigt waarbij hij syfilis denkt te hebben opgelopen. Hij durft niet naar huis en houdt zich schuil in Brighton. Als hij daar door de griep geveld wordt, denkt hij dat het einde nabij is. De behandelend arts haalt hem uit die nachtmerrie. Als hij in India wat opgelopen zou hebben, was hij er nu al niet meer geweest. Hij heeft griep en dat is volgende week over. Dat maakt de weg vrij voor zijn terugkeer waarbij hij zich eenmaal thuis te buiten gaat aan het bestoken van zijn buitenlandse onderhuurders. De brave hendrik etaleert zijn onaangename kant.

    De keuze voor Brighton kwam voort uit zijn Aziatische ervaringen. Hij raakte bevriend met een jonge collega uit die kustplaats. Deze collega, vader van twee jonge kinderen, verloor bij gewelddadigheden het leven. Levy schildert een aangrijpende scene als Arthur vanaf een bankje de weduwe van zijn vriend met haar twee kinderen observeert zonder dat hij hen durft aan te spreken.

    Er zijn niet alleen spanningen tussen de twee echtparen maar ook binnen de echtelieden zelf. Ondanks hun verschillende achtergrond delen zij ook iets. Beide huwelijken zijn vooral verstandshuwelijken waarbij passie geen rol speelde om een verbintenis aan te gaan. Het voordeel van een verstandshuwelijk is natuurlijk wel dat gevoelens een wereld kunnen winnen. Ook op dit punt etaleert Levy het nodige inlevingsvermogen als zij de ontwikkelingsgang in de onderlinge relaties schetst. De compositie van het boek bewerkstelligt dat je aan het eind van de bijna zeshonderd bladzijden het idee bezit de hoofdrolspelers goed te kennen. Zelfs zo goed dat de lezer aan het eind van het boek over belangrijke informatie beschikt waarvan de hoofdrolspelers onkundig zijn. De auteur heeft enkele verrassingen in petto en gunt de lezer een bevoorrechte positie. Levy heeft een bewonderenswaardige prestatie verricht en is daarvoor onderscheiden met verschillende prijzen. Zo kreeg zij de Whitbread novel of the year prijs in 2004. Dat is een prijs waarbij het bieden van leesplezier expliciet als criterium geldt. Publicitair en qua geldbedrag staat de Whitbread, inmiddels omgedoopt in Costa book awards, in de schaduw van de Booker prijs. Afgaand op mijn persoonlijke voorkeur zou ik vermoedelijk eerder de winnaars van de Whitbread prijs uit de afgelopen 35 jaar meenemen naar een onbewoond eiland dan de Booker laureaten. Dan gaat het om boeken en schrijvers van de eerste categorie als Ian McEwan met _The child in time, William Trevor met Felicia’s journey, David Lodge met How far can you go, Shiva Naipaul met The chip chip gatherers of William Boyd met Restless. In dit gezelschap mag Andrea Levy zich thuis voelen.