Leesimpressies

  • Ann de Craemer: De seingever

  • Nr. 11 - 2015
  • Als Herman Brusselmans in februari zijn twee romans voor dat jaar af heeft, richt hij zijn aandacht op andere zaken onder meer op zijn column in Het Laatste Nieuws. Die lees ik vaak met plezier. De column is onderdeel van het sportkatern maar Brusselmans, zoals een homo universalis betaamt, laat het niet bij zijn prognose dat Anderlecht de bekerfinale van Club Brugge zal winnen. Bijna goed, Herman. Soms dringt een literair oordeel zijn column binnen. Vorige week waren zijn vrouwelijke Vlaamse collega’s aan de beurt. Hij volgt hun werk op de voet. Het blijkt telkens weer: vrouwen kunnen simpelweg niet schrijven. Omdat er bij Brusselmans altijd ruimte blijft voor nuance betoogde hij dat Ann de Craemer een fraai gezichtje heeft en Griet op de Beeck gigantische memmen maar dat vlakt niet uit dat zij afgrijselijke flutboeken schrijven. Voor Annelies Verbeke en Saskia de Coster werden overigens geen verzachtende omstandigheden aangevoerd. Ja, Brusselmans is altijd bereid zijn publiek de gordijnen in te jagen. Van Ann de Craemer heb ik gelukkig alle boeken zelf gelezen en voel me dus niet verplicht me te conformeren aan de opvattingen die de befkampioen van Gent en omstreken propageert.

    De periode eind maart tot en met begin april markeert het spitsuur van de Vlaamse wielerklassiekers. In steeds wisselende volgorde worden dezelfde venijnige klimmetjes en kasseistroken tot plaats van handeling gebombardeerd. Alleen de finishlijn verplaatst zich van Waregem naar Harelbeke naar Wevelgem, naar Zottegem, naar De Panne enzovoort. Het peloton raast door de Vlaamse Ardennen liefst vergezeld door regenbuien en windvlagen. Dat loopt slechts goed af dankzij de belangeloze medewerking van een oeroud fenomeen, dat van de anonieme seingever. Op elk kruispunt staat een meestal wat oudere man getooid met een tricolore armband, een hesje en een spiegelei, die het gewone leven tijdelijk stil legt ten faveure van de koers. Alles wat zich op de openbare weg begeeft, valt onder zijn jurisdictie. Zo’n anonieme hulpkracht, ruggengraat van Vlaamse traditie, heeft Ann de Craemer uitverkoren tot hoofdpersoon van haar boek. Een naam heeft ze hem niet gegeven. Waarom zou je hem onder zijn ware naam ten tonele voeren? Waarom de privacy met voeten treden? De man onder een verzonnen naam laten figureren is zo mogelijk nog ongepaster. Gedurende de vertelling, er is geen sprake van een roman of documentaire, handelt het om de seingever, de onmisbare elckerlijc van Vlaanderen. Ann de Craemer houdt een dag de seingever gezelschap tijdens de uitoefening van zijn functie. Ze boffen, het is die dag geen flandrienweer.

    Geen asgrijze, loodzware, dikbuikige wolken die door een fikse noordwester boven het vlakke Vlaamse land werden voortgestuwd; geen regendruppels die de renners alle gevoel in hun knoestige knoken deden verliezen; geen snoeiharde rukwind die het snot uit je neusgaten op de kasseien deed petsen


    De Craemer combineert in haar boek twee zaken. Zij geeft een inkijkje in het leven van een eenvoudige arbeider die sinds zijn brugpensioen in het seingeverschap een nieuwe liefhebberij vond, een mooi alternatief voor het verdrijven van de eenzaamheid in het café. Tegelijk krijgt de lezer een beeld van de wielrennerij als kroonjuweel van de cultuur op het Vlaamse platteland. In de seingever mengen die werelden. Hij is geboren in 1945 met een vader die hield van de koers. Een verpletterende indruk op de jonge seingever maakte de wereldtitel in eigen land van Briek Schotte nota bene afkomstig uit het belendende dorp Kanegem. Zelf fietste hij eindeloos tegen de plaatselijke heuvel op tot hij tijdens wedstrijden bemerkte over te weinig talent te beschikken. Daarna nam zijn zoon het stokje over. Zoonlief had een sterke sprint in de benen maar hij nam zijn toevlucht tot list en bedrog. De amfetaminen zouden zijn ondergang worden.
    De wielrennerij was voor de Vlaamse boerenzonen een route om deel te gaan uitmaken van de wereld van de winnaars, een manier om de horizon te verleggen. Nooit kwam de seingever in het buitenland. ‘Al die moeite en dat geld om een hoop oude stenen te zien, of een berg in de Vogezen, of een bloementuin van een dode Franse schilder.’ Ann de Craemer kent de wereld die zij schetst op haar duimpje. Het Vlaamse platteland op het punt als een pletwals te bezwijken onder de oprukkende moderniteit wordt door haar voor vergetelheid behoed. Haar stijl is aards en barok. Net als zo velen met een goed stel hersens trok zij naar de stad voor studie en werk. Zij keerde echter terug naar haar geboorteplek Tielt en schreef een paar prachtige boeken over die wereld waar de glamour nog uitgevonden moet worden. In Vurige tong schreef zij over die andere Vlaamse hobby: het katholicisme. In Kwikzilver richt zij een monument op voor haar grootmoeder vooral over de ingrijpende verandering die haar verhuizing naar een serviceflat met zich meebracht. Daar heb je die pletwals weer.
    Het is achteraf een wonder te noemen dat Ann de Craemer ooit terecht is gekomen in een trein die het parcours van de Trans-Iraanse spoorlijn aflegde. Ook daar maakte ze een boek van. Mededogen is haar handelsmerk. Misschien een tip voor Herman Brusselmans.