Leesimpressies

  • Anne Applebaum: IJzeren gordijn

  • Nr. 36 - 2013
  • In mijn jeugd was er een fase dat ik droomde later Kremlinwatcher te worden. Belangrijke objecten van studie waren de staatsieportretten genomen tijdens parades op het Rode Plein. Je bestudeerde dan met een loep de foto op zoek naar een verdwaalde hak behorend bij een persoon waarvan de rest was weggeretoucheerd. Op dat moment dook een Kremlinwatcher de diepte in. De waarheid achter de in ongenade gevallen kameraad moest boven water. Ging het om een incidentele bries of was dit de voorbode van een klimaatverandering in ongure richting. Allereerst was er de zoektocht naar gecodeerde berichten in de Pravda van de voorafgaande dagen. De ontsluiering van het raadsel bestond uit een ideologische struikelpartij, een mislukte graanoogst of zelfs een toefje westerse mode in kostuum of kapsel. De kroon op het werk vormde het debat met andere Kremlinwatchers die je vanwege hun deviaties aan de schandpaal zou nagelen. Zij hadden duidelijk geen benul hoe de machtsverhoudingen echt in elkaar staken. Als voormalige Kremlinwatcher in spe begon het oude vuur te branden toen ik vernam dat historica Anne Applebaum een boek over Oost-Europa had gepubliceerd.

    Kon de treurigheid van de Sovjet dictatuur in het Westen aanleiding zijn voor hilariteit, voor de mensen onder de Russische invloedssfeer betrof het grauwe realiteit. Anne Applebaum won eerder een Pulitzerprijs voor haar boek over de Goelag. Nu heeft ze haar aandacht verlegd naar de andere kant van het imperium. Ze behandelt inIJzeren gordijn de periode van 1944 tot en met 1956. Daarin komt tot uiting hoe onder impuls van Stalin de landen in Oost-Europa steeds verder onder het juk van het Marxisme-leninisme gebracht werden. De aanleiding vormde de opmars van het Rode leger in de eindfase van de Tweede Wereldoorlog. De bevrijders van de nazi’s ontpopten zich snel als een bezettingsmacht. Het zou tot 1989 duren voor de Sovjets weer vertrokken. Het was overigens een ontwikkeling die niet voor de hand lag. Applebaum wijst erop dat de landen in Oost-Europa voor de Tweede Wereldoorlog zowel in economisch als in cultureel opzicht meer verwantschap toonden met West-Europa dan met de Russen. Met instemming van de andere geallieerde leiders en dankzij een imposant onderdrukkingsapparaat kon Stalin zijn gang gaan. Het is echter nooit gelukt om de harten van de mensen in Oost-Europa echt te veroveren. Het aantal expliciete tegenstanders was beperkt evenals de aanhang uit overtuiging. Voor de meeste mensen was het schipperen tussen het particuliere en het publieke bestaan.

    De meeste mensen wilden noch partijbazen, noch kwade dissidenten zijn. Zij wilden gewoon hun leven leiden, hun land weer opbouwen, hun kinderen opvoeden, hun gezin te eten geven en zich verre houden van degenen die het voor het zeggen hadden


    Applebaum wil in haar boek aantonen hoe een totalitair systeem zich in de praktijk kon vestigen en handhaven. Zij verstaat onder een totalitair regime, in navolging van anderen, een systeem dat de volgende vijf kenmerken bevat: een dominante ideologie, een eenpartijstelsel, een geheime politie, een monopolie op informatie en een planeconomie. De Sovjets stonden aanvankelijk een bepaalde autonomie toe op bepaalde maatschappelijke terreinen. Die speelruimte werd steeds kleiner waardoor nieuwe problemen ontstonden. Wanneer alle sectoren dienen te voldoen aan de normen ontleend aan de heersende politieke leer, wordt iedere vorm van afwijkend gedrag een uiting van politiek verzet. Hoe ruimer de paraplu van de totalitaire staat, des te meer oppositie.
    Applebaum concentreert zich in haar boek op drie landen: Polen, de DDR en Hongarije. Van die landen geeft zij een zeer gedetailleerde beschrijving van de ontwikkelingen. Vooral de situatie in Polen krijgt veel aandacht misschien wel omdat Applebaum getrouwd is met een Pools politicus.
    Naar mijn smaak was het boek interessanter geworden als zij haar belangstelling had verbreed naar de andere landen waarbij er meer reden zou zijn geweest om te focussen op de grote lijn. Naar mijn smaak overheerst nu de beschrijving de analyse. Applebaum put uitvoerig uit de archieven die na 1989 open gingen. Verder baseert zij zich op studies van anderen en op interviews met ooggetuigen. Hoewel de hoofdmoot gebaseerd is op beschrijving, blijft de auteur daarbij niet neutraal zoals een wetenschapper betaamt. Graag haalt zij het woord terecht van stal om terloops een eigen waardeoordeel in te lassen. Hoewel zij de keuze heeft gemaakt om de periode tot en met 1956 te beschrijven, doet zij regelmatig een beroep op latere voorvallen om haar opvattingen te onderbouwen. Om aan te geven dat je met behulp van creatieve vondsten de censuur om de tuin kon leiden, haalt zij films aan van Wajda en van Szabo (Mephisto), die dateren van na de door haar gekozen periode. Dat alles zorgt ervoor dat IJzeren gordijn, overigens een term door Churchill in zwang geraakt, een wat rommelige indruk maakt. Bovendien is haar schrijfstijl aan de vlakke kant. Wel wordt duidelijk dat de maakbaarheid van de mens, in dit geval de homo sovieticus, nog niet zo’n makkelijke opgave vormt. Stalin legt het af tegen Dick Swaab. Hoe veel propaganda er ook in de strijd is gegooid, uiteindelijk werd voor iedereen zichtbaar dat de beloofde voorspoed maar niet wilde komen. Bij een contradictie tussen leer en werkelijkheid kun je lang de werkelijkheid de schuld geven. Uiteindelijk verliest de leer. Ondanks de Russische tanks in de straten van Berlijn (1953), Boedapest (1956) en Praag (1968) kon het definitieve faillissement niet uitblijven. Achteraf is het vooral verrassend dat dit nog zo lang op zich heeft laten wachten.