Leesimpressies

  • Charles Dickens: Onze wederzijdse vriend

  • Nr. 20 - 2012
  • Literatuur kan een inkijkje bieden in zeden en gewoonten die afwijken van het hier en nu. In de wereld van Charles Dickens, althans in zijn roman Onze wederzijdse vriend zegt een vrouw nee als ze ja bedoelt. Bedoelt ze daarentegen nee, dan zegt ze ook nee. Van wat vrouwen zeiden werd je anderhalve eeuw geleden niet veel wijzer. Het gedrag van de personages schiet vaker tekort in consistentie. De lezer bezoekt een andere wereld. In het omvangrijke oeuvre van Dickens vormt Onze wederzijdse vriend de laatste voltooide roman. Daarna volgde nog de aanzet tot Het geheim van Edwin Drood. Mijn exemplaar bestaat uit twee delen die ik, net als andere delen van Dickens, tweedehands aanschafte in mijn studententijd passend bij mijn toenmalige budgettaire mogelijkheden. Het waren spotgoedkope delen behorend tot de reeks prisma klassieken. Het jaar van publicatie staat niet vermeld maar het moet niet lang na de oorlog geweest zijn. Voorin wordt een heel comité genoemd dat bij de vertaling betrokken was alsof het om een te autoriseren versie van de bijbel ging. Bovendien is de uitgave ‘verlucht’ met de oorspronkelijke prenten die inderdaad recht doen aan de sfeer van het boek.

    De creatieve drift van Dickens resulteert in bijna 700 bladzijden vol kleine lettertjes. Het is ongelofelijk waar hij de tijd vandaan haalde om al die dikke boeken te schrijven, want hij had nog zo veel meer aan zijn hoofd. Vele personages maken hun opwachting alvorens we bij het slotdiner te arriveren. Dat diner wordt gegeven door de heer en mevrouw Veneering, vervelende nieuwkomers in de city. De roman behandelt de perikelen van een erfenis afkomstig van een in het vuilnis rijk geworden man. Hebzucht blijkt een sterke drijfveer te zijn. Hoewel het boek een duidelijk plot kent, wijkt de verhaallijn regelmatig van het hoofdpad af. Scene stapelt zich op scene. De toon is zowel plechtstatig als lichtvoetig. Dickens is altijd sterk in het met een enkele pennenstreek neerzetten van een karakter. Zo begint het hoofdstuk Podsnapperij met de volgende zin. ‘De heer Podsnap was zeer bemiddeld en stond bij de heer Podsnap zeer hoog aangeschreven.’ Over het huwelijk van Alfred en Sophronia Lammle leren we dat het gefundeerd was op een misverstand. De een dacht dat de ander rijk was en vice versa.

    Mortimer Lightwood, advocaat, een geblaseerd jongmens, maar niet zo belabberd als hij zich voordoet


    Vooral bij hun eerste optredens kan Dickens zich uitleven in zijn beschrijvingen. In totaal gaat het in Onze wederzijdse vriend om circa vijftig personages. De trefzekere typeringen helpen om de cast uit elkaar te houden. Het bezwaar van deze aanpak is dat velen blijven steken in een karikaturale typering. Ze zijn te eendimensionaal. Ter verdediging van Dickens kan daar tegenover gesteld worden dat een roman met zo’n vijftig round characters tot een ondraaglijke informatiedichtheid leidt. Flat characters zijn soms een uitkomst. Voor iemand met een houten been is het oppassen geblazen, dat weet je gewoon. In de vertelling zijn meer gebreken aan te wijzen. De voortgang van het verhaal zit het vol kluchtige kenmerken. Er zijn vele toevallige ontmoetingen, complicerende persoonsverwisselingen en regelmatig komt het voor dat iemand die voor dood uit het water wordt gevist zich korte tijd later weer onder de levenden mengt.
    Dickens heeft in zijn eigen tijd volop mogen genieten van de erkenning voor zijn werk. Ook deze roman verscheen oorspronkelijk als feuilleton. Er was waardering van een massaal publiek. Een oplage van enkele tienduizenden is opmerkelijk bij een veel kleinere bevolkingsomvang met een lagere alfabetiseringsgraad in een tijd van armoede. Dickens wist bij zijn tijdgenoten kennelijk een gevoelige snaar te raken.. Op speelse manier staan menselijke ondeugden als hebzucht en ijdelheid in de etalage. Dat maakt het lezen tot een zowel onderhoudend als herkenbaar genoegen. Een bijkomend punt is dat er in de samenstelling van de personages een sterke mix is te vinden van welgestelde mensen en sappelaars aan de onderkant van de samenleving. Er is hoog versus laag en rijk versus arm. De confrontatie tussen die verschillende werelden is een terugkerende belevenis, een achilleshiel voor de Britse standensamenleving. Maatschappijkritiek behoort zeker tot de verdiensten in het werk van Dickens. Niet alleen de personages zijn de blikvanger in de roman. Met evenveel recht valt te verdedigen dat de stad Londen of misschien nog preciezer de rivier de Theems de hoofdrol vervult. De rivier werd toen nog niet door kades in bedwang gehouden zodat water en modder vrij spel hadden. Onze wederzijdse vriend gaat ook over mist en flakkerend gaslicht. Als chauvinistisch element voor het continent valt nog te melden dat een belangrijk document in zake de erfenis verstopt blijkt te zitten in een Hollandse jeneverfles. Het lezen van Dickens is een uitstapje in het gezelschap van een bijzonder vakman maar wel in een verteltempo dat veraf staat van wat we nu gewend zijn. Een boeiende ervaring als afwisseling maar nu gauw terug naar de 21e eeuw.