Leesimpressies

  • Clarice Lispector: De ontdekking van de wereld

  • Nr. 5 - 2017
  • De naam van Clarice Lispector kwam ik voor het eerst in boekvorm tegen bij de grenzeloos openhartige Noorse navelstaarder Karl Ove Knausgard. Dat is geen voor de handliggende combinatie zeker niet in een boek dat bestaat uit een correspondentie tussen twee vrienden over het Wereldkampioenschap voetbal. Dat toernooi vond in Brazilië plaats en dan kan er tussen de buitenspelval door een Braziliaanse schrijver opduiken. Knausgards vriend Frederik Ekelund schreef met enthousiasme over een roman van Lispector die handelt over een ontmoeting van een eenzame vrouw met een kakkerlak. Als de naam Lispector valt is dat veelal in bewonderende zin. In een nummer uit augustus 2016 van De Groene Amsterdammer wijdde de hoofdredacteur zelf een beschouwing aan haar werk. In dat artikel werd het werk van Lispector vergeleken met Marcel Proust, James Joyce, Fjodor Dostojevski, André Gide, Virginia Woolf, Herman Hesse, Franz Kafka en Jose Luis Borges. Zelf mag ik de schilder Jeroen Krabbé graag in een adem noemen met Picasso. Concluderend: de sfinx van Rio de Janeiro is veel op het schild gehesen. De critici zijn minder royaal als het erom gaat uit te leggen wat haar werk zo sterk maakt. Na twee boeken van haar gelezen te hebben, beken ik dat mij dat evenmin lukt.

    Uitgeverij De Arbeiderspers heeft recent twee boeken uitgebracht om Clarice Lispector in Nederland meer bekendheid gegeven. Het ene is een biografie van een Amerikaanse journalist, het andere een aflevering in de autobiografische reeks Privedomein. De biografie heb ik niet gelezen. Wel ken ik van haar Het uur van de ster, een novelle plus verhalenbundel, dat ik ooit antiquarisch op de kop heb getikt.
    Het leven van Clarice Lispector, 1920-1977, bevat veel ingrediënten waaruit interessante boeken kunnen voortkomen. Als baby verliet zij met haar joodse ouders de Oekraïne om na wat tussenstops neer te strijken in het noordoosten van Brazilië. Zij trouwde met een diplomaat en volgde hem naar posten in Zwitserland en Italië. Ze kreeg twee zonen en voor Knausgard is het interessant om te weten dat de ene supporter werd van Botafogo en de ander van Flamengo. Na de scheiding vestigde zij zich in Rio de Janeiro. Daar schreef zij columns voor de krant die gebundeld zijn in De ontdekking van de wereld. Haar bijdragen eindigden op initiatief van de krant in 1973 waarbij haar joodse achtergrond een rol gespeeld zou hebben. Het schrijverschap was voor haar van grote betekenis. Veel stukken hebben het schrijven zelf als onderwerp. Zij heeft het Portugees van harte omarmd als haar moedertaal door adoptie. Ze was bevriend met de grote Braziliaanse schrijvers van haar tijd onder meer met Joao Guimaraes Rosa. Ook interviewde zij schrijvers. Naar aanleiding van een ontmoeting met Pablo Neruda merkte zij op: “Neruda is buitengewoon aardig, vooral wanneer hij zijn pet op heeft”.

    Er zijn drie dingen waarvoor ik ben geboren en waarvoor ik mijn leven geef. Ik ben geboren om de anderen lief te hebben, ik ben geboren om te schrijven en ik ben geboren om mijn kinderen groot te brengen


    In de beginperiode van de columns schrijft Lispector over zaken die haar persoonlijk bezig houden. Ze maakt melding van de positieve reacties die ze ontvangt. Ze krijgt brieven en telefoontjes. Ze ontvangt een roos of krijgt een octopus cadeau. Later gebruikt ze de columns om stukken te schrijven die erg lijken op haar korte verhalen. Die verhalen hebben vaak geen kop of staart en als dat wel het geval is, blijft het de vraag of de kop zich vooraan bevindt en de staart achteraan. Het werk van Lispector wordt vaak als hermetisch aangemerkt, wat een chique benaming is voor ontoegankelijk. Het lijkt wel of zij door te schrijven de onderwerpen pas in haar greep krijgt. Soms gebruikt ze haar columns om een toelichting te geven bij haar verhalen overigens zonder daar altijd in te slagen. Veelzeggend is haar opmerking ‘ik ben zo mysterieus dat ik mezelf niet begrijp”.
    Soms verrast Lispector met een opmerking die een oorspronkelijke blik verraadt. Dan is er opeens een zinnetje dat blijft hangen. “De gastvrouw spreidde een kalm gezag ten toon, dat haar niet slecht stond.” Of. “Sommigen gaan naar huis met een gebroken middag.” Doordat Lispector slecht in staat is aan te geven wat haar met een verhaal voor ogen staat, wordt het er voor de lezer niet makkelijker op. Hoe moet ik iets kunnen duiden als de schrijver dat zelf niet kan. Dat maakt het lezen van haar tot een vermoeiende bezigheid. Kennelijk schrijft Lispector op een golflengte waarop ik niet lees. Sommigen vermoeden bij de klanken van een orakel diepte. Anderen laten de verwarring voor wat het is en gaan over tot de orde van de dag. De auteur heeft recht op het laatste woord. “Schrijven is een van de manieren om te mislukken. Christina was verbaasd en vroeg waarom ik dan schreef. Daar kon ik geen antwoord op geven.”