Leesimpressies

  • Dan Shaughnessy: The curse of the Bambino

  • Nr. 42 - 2007
  • Wat hebben cellist Yo-Yo Ma, politicus Edward Kennedy, schrijver John Updike en filmacteur Matt Damon met elkaar gemeen? Zij zijn allen fan van de Boston Red Sox net als miljoenen anderen in New England en daarbuiten. Hemelse steun is er van wetenschapper Stephen Jay Gould, speaker of the house Tip O’Neill en journalist David Halberstam. Zelf moet ik bekennen al decennia aanhanger van de New York Yankees te zijn zonder me erg te verdiepen in de Red Sox. Ik wist van hun bestaan en dat we, als het erop aankwam, altijd van ze wonnen. De meeste sportboeken gaan over winnen. Verlies schept vaak mooiere verhalen. Dan Shaughnessy, sportjournalist bij The Boston Globe, schreef een sportklassieker over de droevige geschiedenis van de Red Sox. Sinds de verschijning in 1990 beleeft het boek voortdurend herdrukken. Komende week gaan in Amerika de World Series van start tussen de Colorado Rockies en … jawel de Boston Red Sox. Het seizoen voor de Yankees is al ten einde, dus alle tijd om Shaughnessy’s boek te lezen.


    De jaren tien van de vorige eeuw gaven een superieure Boston Red Sox te zien. Er waren overwinningen in de World Series van 1912, 1915, 1916 en 1918. De jonge ploeg had een gouden toekomst voor de boeg. Sterspeler was Babe Ruth die voor velen nog altijd de grootste honkballer ooit is. In plaats van een voortzetting van de zegereeks volgde een periode van neergang die decennia zou aanhouden. De belangrijkste aanleiding voor het verval vormde de verkoop van Ruth naar de New York Yankees door Red Sox eigenaar Harry Frazee. Sinds die transfer zijn de verhoudingen tussen de twee clubs gespannen. Het hart van Frazee ging meer uit naar theater dan naar honkbal. Hij had geld nodig voor een show op Broadway. Met het geld voor Ruth kon de musical “No, No, Nanette” geproduceerd worden, welke voorstelling alleen onsterfelijk is geworden door de associatie met Ruth.

    Voor de honkbalfans in New England staat het vertrek van de Bambino, zoals Ruth genoemd werd, symbool voor het verval van hun favoriete club. De club kende vele magere jaren en zodra er, bij wijze van uitzondering, een sterke ploeg op de been gebracht kon worden ging het uiteindelijk steeds mis. Bij voorkeur op miraculeuze wijze. Tussen 1919 en het eind van de twintigste eeuw hebben de Yankees 25 keer en de Red Sox 0 keer de World Series gewonnen. Menigmaal deden de Yankees dat met in hun midden spelers die afkomstig waren van de Red Sox. De haat tegen de Yankees kent in Boston geen grenzen. Het lijkt op een obsessie. Andersom speelt dat minder. Shaughnessy citeert ter illustratie van de onderlinge verhoudingen het personage Rick, gespeeld door Humphrey Bogart, uit de film Casablanca. Zijn tegenspeler, vertolkt door Peter Lorre, zegt: “You despise me, don’t you Rick?” Hierop antwoordt Bogart: “If I gave you any thought I problaby would.”

    Het ging voor Boston niet alleen mis tegen de Yankees. Deze twee ploegen spelen samen in de American League en kunnen elkaar alleen aan het eind van het seizoen in de play-offs ontmoeten. Daarna volgt de strijd met de kampioen van de National League om de wereldtitel zoals het winnen van de World Series chauvinistisch wordt aangeduid. Dat gebeurt in een best of seven reeks. De eerste keer dat de Red Sox zich wisten te kwalificeren na het vertrek van de Bambino was pas in 1946. De Saint Louis Cardinals hadden het maximum van 7 wedstrijden nodig om de winst binnen te halen. In de zevende wedstrijd was de stand 3-3. In de achtste inning, met twee man uit en het eerste honk bezet, kreeg Boston een honkslag in het linksveld te verwerken. De bal werd terug gegooid naar binnenvelder Johnny Pesky, normaal één van de uitblinkers, die zo lang aarzelde dat de honkloper de thuisplaat wist te bereiken. Een schlemielig verlies waarop Boston patent zou verwerven. De ene keer was er een arbitrale dwaling, de andere keer sloeg de zwakste slagman van de tegenstander uit het niets opeens een beslissende homerun. In New England, ook wel omschreven als Red Sox Nation, werd de identificatie met de underdog zwaar op de proef gesteld.

    Het ergste moest nog komen. In 1986 tijdens de zesde wedstrijd waren de Red Sox één slagbal verwijderd van het wereldkampioenschap. Alle spelersvrouwen, afkomstig uit alle windstreken van Amerika, gingen staan klaar om in gejuich los te barsten. Alleen Sherry Gedman, vrouw van catcher Rich Gedman, bleef zitten. Zij kwam uit Boston en wist wel beter. Een slap rollertje van Mets slagman Mookie Wilson moest het einde van bijna zeventig jaar frustratie betekenen. Het ongelofelijke gebeurde. Eerste honkman Bill Buckner liet deze eenvoudige bal tussen zijn benen doorglippen. De Red Sox verloren de wedstrijd en waren kansloos in de zevende. Tip O’Neill kon drie maanden niet slapen. Elke sportliefhebber in New England weet nog waar hij was toen Bill Buckner die bal miste. Sport is maar bijzaak maar dit voorval staat in het collectieve geheugen op gelijke hoogte met de moord op Kennedy en de eerste maanlanding.

    Shaughnessy weet gedetailleerd op te roepen wat sympathie voor een sportploeg in het leven van mensen kan betekenen. Na elk mislukt seizoen is er toch weer het vooruitzicht van volgend jaar beter. Bij de start in april, of eigenlijk al voordien tijdens springtraining, slaat het honkbalvirus weer toe. De thuiswedstrijden, 81 per jaar, zijn altijd uitverkocht. In 2004 was er eindelijk de begeerde wereldtitel. Misschien biedt 2007 een reprise. Dan zullen de Colorado Rockies uit Denver verslagen moeten worden. Dat team, bekend vanwege gezamenlijke godsdienstoefeningen, bestaat pas sinds 1993 maar speelde indrukwekkend in de play-offs. Het is oude adel tegen de nieuwe rijken. Ik zal duimen voor de fans in Boston opdat zij niet opnieuw hoeven lijden.

Lijstjes

Dit boek komt voor in de lijstjes: