Leesimpressies

  • Daron Acemoglu & James Robinson: Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm

  • Nr. 29 - 2012
  • De strekking in het laatste boek van de bekende publicist Robert Kaplan is dat geografische omstandigheden bepalend zijn voor het lot van naties. Zo wordt Duitsland in het noorden begrensd door de zee en in het zuiden door de Alpen en kan expansie dus alleen plaatsvinden in westelijke of oostelijke richting. Dat hebben we geweten. Natuurlijk is er een andere kijk mogelijk. Twee Amerikaanse wetenschappers betogen dat niet fysieke omstandigheden maar factoren als de politieke en economische instituties de doorslag geven voor hoe een land er voor staat. Acemoglu is hoogleraar economie en Robinson is politiek wetenschapper. De eerste is verbonden aan het MIT, de laatste aan Harvard. Wie in Boston reist met de red line van de ondergrondse ervaart dat er tussen het MIT en Harvard slechts een enkele halte ligt. Dat is een nuttig vertrekpunt, althans in geografisch opzicht. Het betoog van de heren is een beschouwing waard.

    Het boek begint met het hekwerk, opgebouwd uit ijzerplaten, van de stad Nogales. Het noordelijk deel ligt in de staat Arizona, het zuidelijk deel in de staat Sonora. Anders gezegd het ene deel van de stad ligt in de Verenigde Staten, het andere in Mexico. Het verschil in welvaart is enorm. De inkomensverhouding is drie staat tot een. Dit is een cruciaal voorbeeld van het betoog dat het hele boek door in alle toonaarden terugkeert. Het zijn de economische en politieke instituties die de welvaart van een land bepalen. De auteurs maken een onderscheid in inclusieve en extractieve instituties. “Economische instituties zijn inclusief als er sprake is van bescherming van privé-eigendom, van een onpartijdig rechtssysteem en van publieke diensten die de mensen gelijke kansen geven op de commerciële en financiële markt en bij het afsluiten van contracten. Ook moeten nieuwe bedrijven zich op de markt kunnen begeven en moeten mensen hun eigen loopbaan kunnen kiezen.” Van extractieve instituties is sprake als een minderheid de massa exploiteert zonder bescherming te bieden van particulier eigendom en zonder dat economische prikkels voor die massa beschikbaar zijn. In deze omschrijving lijkt het erop dat de economische instituties het meeste gewicht in de schaal leggen. Dat is echter bedrieglijk. Het zijn immers de politieke instituties die de economische spelregels dicteren. Inclusieve economische instituties zijn afhankelijk van inclusieve politieke instituties. Een voorwaarde vormt de aanwezigheid van een gecentraliseerd gezag. Alleen dan kan een gelijk speelveld voor iedereen ontstaan en vervolgens gehandhaafd worden. De centrale opvatting uit het boek leent zich niet alleen voor een verklaring achteraf maar ook tot een voorspelling.

    De Sovjet-Unie kende in de jaren vijftig en zestig een economische bloeiperiode onder een regime van extractieve instituties. Een dergelijke welvaart is niet beklijvend omdat uiteindelijk een gebrek aan innovatie voor stagnatie zorgt. Om dezelfde reden zal de huidige economische voorspoed van China eveneens tijdelijk blijken te zijn


    Economische welvaart is niet gelijkelijk over de wereld verdeeld. Rijke landen zijn er in Europa, in het noorden van Amerika, in het verre oosten denk vooral aan Japan en in Australië. Probleemgebieden zijn te vinden in Afrika ten zuiden van de Sahara en in het midden van Amerika. Behalve van plaats zijn er verschillen van tijd. Winnaars en verliezers wisselen in de loop van de geschiedenis. Ooit was er in het midden en zuiden van Amerika, bij de Azteken en Inca’s, meer welvaart dan in het noorden van Amerika. Bepalend voor een gunstige economische geschiedenis is of een land de industriële revolutie heeft omarmd. Is dat het geval dan krijgen inclusieve instituties de wind mee.
    Het boeiendst zijn de auteurs aan het begin en het eind van hun boek. Dan staat hun theorie in het middelpunt van de belangstelling. Het grote middenstuk van het boek bestaat uit een beschrijving van de maatschappelijke geschiedenis van vele samenlevingen. Bij die passages is hun verhaal vooral een geschiedenisboek. Hoewel de beide heren veel steunbewijs genereren is de teneur van hun boek teleologisch. De beide wetenschappers doen geen onbevangen onderzoek naar wat de overtuigendste verklaring is voor de ontwikkeling van welvaart. Die fase hebben zij reeds lang achter de rug. Hun opvatting staat vast en daar wordt elke bladzij getuigenis van afgelegd. Alternatieve verklaringen van geografische of culturele aard worden op basis van een enkel tegenvoorbeeld verworpen: Nogales, het noorden en zuiden van Korea, het westen of oosten van Duitsland. Het zijn gebieden met vergelijkbare geografische en culturele omstandigheden maar met ingrijpende verschillen als het om welvaart gaat. De heren meten wel een beetje met twee maten. Een alternatieve verklaring wordt door een tegenvoorbeeld verworpen maar de tegenvoorbeelden bij hun eigen theorie ondergraven het betoog niet maar illustreren een tijdelijke uitzondering op de regel. Die vooringenomenheid is een zwakke schakel van het boek. Ook als ze meer gelijk dan ongelijk hebben.