Leesimpressies

  • David Remnick: reporter

  • Nr. 6 - 2007
  • Af en toe koop ik een exemplaar van The New Yorker, een tijdschrift met een lange traditie. Het blad begint met de rubrieken Goings on about town en The talk of the town. Dan ben je al ongeveer op bladzijde 30 en volgen de variabele artikelen. Over omvang van de stukken wordt niet kinderachtig gedaan. Er is altijd ruimte voor fictie, overigens niet elke week van John Updike, en er zijn de wereldberoemde cartoons. De tegenwoordige hoofdredacteur is David Remnick. Het blad belichaamt, zo meldde hij eens in een interview, diepgang, humor en schoonheid. Dat zijn eigenschappen die je in Amerika niet alleen een tijdschrift maar ook de president zou toewensen. Van Remnick verscheen een bloemlezing van journalistieke artikelen in Nederlandse vertaling onder de titel Reporter.


    Remnick bestrijkt met zijn stukken drie interessegebieden: politiek, literatuur en boksen. In de tijd gezien stamt het oudste stuk uit 1994 en is zijn meeste recente bijdrage gedateerd in 2006. Geografisch ligt de focus op Amerika, Oost Europa en het Midden Oosten. Remnick heeft in de journalistiek verschillende klassen doorlopen. Hij begon in de avonddienst bij The Washington Post, bellend met politie, brandweer en ambulancedienst. Op de stadsredactie komt het nieuws nu eenmaal vaak uit de zwaailichtsector. Ook vervulde hij voor die krant een correspondentschap in Moskou alvorens de overstap naar The New Yorker te maken. De stukken die hij maakt, zou je kunnen typeren als profielschetsen. Het gaat om een mengeling van interview, reportage en portret waarbij ook anderen aan het woord komen over de geportretteerde.

    De stukken over politici komen het minst uit de verf en voegen vaak weinig toe aan wat een krantenlezer al weet. Politici laten het achterste van hun tong niet zien en het voorste deel is in de regel politiek geheel correct. Hun omstandigheden laten nauwelijks een andere mogelijkheid toe. Beken in Nederland als ongetrouwd lijsttrekker dat je een presentatrice van het Journaal leuk vindt dan ben je voor jaren verzekerd van gezanik over zo’n oprisping. Om nog maar te zwijgen wat een getrouwde lijsttrekker zou overkomen.

    Het verhaal over Al Gore geeft een fraai inkijkje hoe een politieke nederlaag je verdere leven bepaalt. Meer stemmen krijgen dan je tegenstander en toch geen president worden. Gore heeft er een standaardarsenaal opmerkingen vol zelfspot aan overgehouden. Voortdurend introduceert hij zichzelf als “ik was vroeger de volgende president van de verenigde Staten”. De kijkers van zijn film An Inconvenient Truth krijgen deze opening eveneens geserveerd. Een andere uitspraak om met de situatie om te gaan luidt: “Het voordeel van geen president zijn is dat je de weekends voor jezelf hebt. Het nadeel is dat je de rest van de week ook voor jezelf hebt.”

    De boeiendste stukken gaan over mensen die op een keerpunt in hun leven staan: Solzjenitsyn die op het punt staat na zijn Amerikaanse jaren terug te keren naar Rusland en Havel die de Praagse Burcht verlaat als zijn politieke loopbaan ten einde loopt. Solzjenitsyn heeft enkele decennia de rust van Vermont gekozen om als een bezetene verder te schrijven. Hij benutte de vrijheid van zijn gastland om niet deel te nemen aan het openbare leven. Hij moest niets hebben van het materialisme en de decadente populaire cultuur. De gruweldaden van het Sovjet regime boekstaven tot achter de komma was het doel van zijn leven. Hij heeft de beeldvorming in het Westen met zijn bestseller De Goelag Archipel onherroepelijk veranderd. Het communisme heeft niet kunnen overleven met als gevolg dat de dwarse brombeer uiteindelijk weer thuis kon komen.

    Behalve over Solzjenitsyn heeft Remnick fraaie schetsen afgeleverd over Philip Roth, Amos Oz en Don Delillo. Schrijvers zijn meer dan politici bereid inzage te verschaffen in wat zij echt vinden. Roth maakt zich zorgen over de afnemende bereidheid met enige regelmaat serieuze boeken te lezen. Schrijvers zijn er nog wel maar is er nog wel een lezerspubliek? Roth illustreert dat met de stelling dat er jaarlijks 70 lezers sterven en er maar 2 bij komen. Van Delillo zal me de opvatting bijblijven dat voor het werk van Hemingway het woordje “en” belangrijker is dan de inspiratie die hij vond in Parijs of Afrika.

    Op het eerste gezicht is de belangstelling van Remnick voor boksen misschien wat verrassend. Toch schreef hij al eens een opmerkelijke biografie over Muhammed Ali onder de titel King of the world. Deze keer krijgt Mike Tyson alle aandacht. We maken zijn gevecht met Evander Holyfield mee dat geschiedenis heeft gemaakt omdat Tyson een stuk van het oor van zijn tegenstander afbeet. Het leven van Tyson speelt zich grotendeels aan de onderkant van de samenleving af. Het fortuin dat hij heeft vergaard met zijn sport heeft hem niet buiten de gevangenis kunnen houden. Binnen drie jaar zo’n 4,5 miljoen dollar uitgeven aan auto’s en motoren maakt een mens niet automatisch gelukkig. Opponent Holyfield vertoont de bekende zeloterigheid die Amerikaanse topsporters zo zwaar verteerbaar maken. Ze kunnen nog geen schoenveter strikken zonder god voor hun karretje te spannen.

    De lezer krijgt een goed beeld van de brede belangstelling van Remnick. Hij kiest voor een anekdotische aanpak en probeert zijn hoofdpersonen uit de verf te laten komen. Die aanpak is typerender voor zijn artikelen dan een herkenbare schrijfstijl. Al kan dat laatste in de hand gewerkt zijn doordat maar liefst vijf verschillende vertalers aan het boek gewerkt hebben. Een weinig gelukkige greep van de uitgever.