Leesimpressies

  • Detlev van Heest: Het verdronken land

  • Nr. 2 - 2012
  • Detlev van Heest heeft twaalf jaar in Japan gewoond. Zijn vrouw Annelotte is overdag naar haar werk en hij zit thuis. Van Heest schrijft af en toe een bijdrage voor een Nederlands blad maar dat gebeurt steeds minder. Hij houdt een dagboek bij en begint zijn buurtgenoten in een wijk van Tokyo te portretteren. De buren zijn Japanners van gevorderde leeftijd veelal rijkelijk voorzien van kwalen. Er is bijvoorbeeld die aardige mevrouw Suzuki die langzamerhand in de tentakels van Alzheimer verstrikt raakt. De buren houden elkaar in de gaten maar leven vooral langs elkaar heen. Van Heest doet zonder opsmuk verslag van zijn contacten. Letterlijk tekent hij de dialogen met zijn buren op waarbij het misverstand meestal de lachende derde is. Dat heeft geresulteerd in het boek De verzopen katten en de Hollander van ruim zeshonderd bladzijden. Aan het eind daarvan vertrekken Van Heest en zijn vrouw met hun Japanse kat Kootje, ‘de enige Japanse kat in de Hollandse belletrie’, naar Nieuw-Zeeland om de stad in te ruilen voor het buitenleven. Ook daar heeft van Heest uitgebreid verslag over gedaan in de roman Pleun.


    Nieuw-Zeeland is uitgelopen op een fiasco. Van Heest is zonder Annelotte terug in Nederland en verdient zijn brood als parkeerwachter in Hilversum, een perfecte uitlaatklep voor zijn autohaat. Dan reist hij tot driemaal toe opnieuw naar Japan. De eerste keer gebeurt dat eind 2009 en vervolgens zowel in het voorjaar als het najaar van 2011. Die reizen behandelt van Heest in Het verdronken land. Tijdens het eerste bezoek is hij in het gezelschap van Adèle. Van haar wordt een weinig flatteus beeld geschetst. Het seksuele verkeer met Adèle maakt de indruk van een zwaar corvee. Adèle laat een harde wind is kennelijk ook informatie die de lezer niet mag worden onthouden. Adèle is geen Annelotte. De heimwee naar Annelotte is weinig overtuigend, want toen het stel nog samen was, bracht het de dag bij voorkeur kibbelend door. De terugkeer in Japan doet denken aan het bezoek aan een feestje nadat alle bezoekers al lang vertrokken zijn. Er zijn volle asbakken en in de glazen is nog een restje verschraald bier te vinden. Van Heest grijpt de gelegenheid aan voor zelfbeklag en soms is er gekoketteer met zelfmoord. Een hernieuwde kennismaking met oude buren houdt het boek nog enigszins op de been al heeft de dood de kennissenkring behoorlijk uitgedund. De meegebrachte schuursponsjes van Albert Heijn vormen een triviaal symbool. Verder vormen de bezoeken aan het rampgebied in de provincie Foekoeshima, ooit de bakermat van mevrouw Suzuki, in dit boek een nieuw element. Dat levert een aardige sfeertekening op al is uit de buurt blijven het belangrijkste parool. Adèle is in 2011 al niet meer van de partij. Allicht.


    ‘Hoe eet men witte asperges in Holland?’ ’Oraal.’


    De letterlijke weergave van de gesprekken, vol herhalingen en vreemde zijsprongen, geven het werk van Van Heest een absurd karakter. En soms is dat onweerstaanbaar komisch. Vaker zijn de gesprekken ontluisterend. De meeste Japanners in het boek hebben hun toekomst achter zich. De gebitten passen niet meer. De ziekten rukken op. Het uitvergroten van de alledaagsheid werkt vervreemdend. Er wordt wat groene thee met koekjes naar binnen gewerkt. De vergelijking met Voskuil dringt zich op. Zoals Voskuil onbarmhartig verslag doet van de dagelijkse perikelen op het bureau en thuis doet Van Heest dat met de buurtbewoners. Ook de bekommernis om dieren en planten vormt een parallel. Zowel Voskuil als van Heest ontsteken in opgekropte woede zodra mensen geen oog hebben voor het welzijn van dieren. In het eerste boek krijgen de padden Ada en Ab een eigen hoofdstuk. Wat Voskuil voor mij aangenamer te verteren maakt, is dat hij zich met grote toewijding aan zijn plichten wijdt ook al weet hij dat ze onzin zijn. Belangrijk is het allemaal niet maar daarom kun je nog wel je beste beentje voor zetten. Dat plichtsbesef ontbreekt bij Van Heest. Hij geeft zich maar wat graag over aan zijn sombere buien. Weliswaar is er bij vlagen wat humor maar dat is altijd de humor van de wanhoop. Zelfs de namen van de Japanners neemt Van Heest op de korrel. Afgezien van mevrouw Suzuki dragen zij vernederlandste namen. Mensen heten Driebaai, Westboom, Zevenzeeën, Binneneiland, Schaduwberg of Smalput. Je zou gaan denken dat Japan eeuwenlang een Surinaamse overheersing heeft gekend. Van Heest heet op zijn beurt vaak Heesto-san. Heeft een letterlijke weergave van een dialoog nog de kracht van een absurde charme, moeilijker is het te verteren als van Heest dat vergezeld laat gaan van een vernietigend commentaar. Die lust weet hij wel op te brengen, terwijl zelfbeheersing gepaster zou zijn. Dan krijg je onmiddellijk sympathie voor de afgeserveerde Japanner in zijn of haar schamele bestaan. Kwetsbare mensen moet je niet achter hun rug om te grazen willen nemen. Kies dan met open vizier een tegenstander van formaat. Hoewel van Heest schrijftalent niet ontzegd kan worden, ben ik geen bewonderaar van zijn werk geworden. Dat het met die arme Adèle nog goed mag komen.