Leesimpressies

  • Donna Tartt: Het Puttertje

  • Nr. 30 - 2013
  • Getuigt het van goede smaak om de bespreking van een meesterwerk te beginnen met een kritische kanttekening? Waarschijnlijk niet maar ik doe het toch. Dan hebben we dat vast achter de rug. Het is een wonderlijk verschijnsel dat een Nederlandse vertaling verschijnt nog voordat de inkt van het origineel gedroogd is. De nieuwe Donna Tartt verschijnt in het Nederlands een maand eerder dan het origineel in Amerika. Ons land heet een proeftuin te zijn voor de succesvolle ontvangst van een nieuw werk door een gerenommeerde Angelsaksische schrijver. Met het risico dat haast en slordigheid verstrikt raken in een nauwe omhelzing. De nieuwe Tartt grossiert in slordigheden. Het gaat niet zo zeer om vertaalfouten maar om taalkundige uitglijders. Het ene moment ontbreekt een lidwoord, op het volgende zijn twee woorden omgewisseld. Wat te denken van een zin als “Ik dacht dat je wist ik het was.” De Bezige Bij verkwanselt op die manier de glans van een mondiale primeur. Dit roept een uitspraak van Cees Buddingh’, ooit auteur bij De Bezige Bij, in herinnering: uitgevers letten meer op hun inkomsten dan op hun uitgaven.

    Laten we het gauw over de roman zelf hebben. We ontmoeten hoofdpersoon Theo Decker als hij zich schuil houdt op een hotelkamer aan een Amsterdamse gracht. Hij is dan 27 jaar. De aard van de schuwheid blijft ongewis. Hij droomt van zijn moeder en speurt de kranten na op zoek naar berichtgeving over een moord. Het zal ruim 800 bladzijden duren voordat de lezer opnieuw de hotelkamer binnentreedt. Dan is het levensverhaal van Theo onthuld. Het sleutelmoment in zijn leven is het bezoek samen met zijn moeder op de leeftijd van 13 jaar aan een museum in hun woonplaats New York. Dat bezoek is een toevallig intermezzo als schuilplek voor de regen als moeder en zoon op weg zijn een reprimande in ontvangst te nemen voor wangedrag van Theo op school. Slenterend langs de schilderijen valt het oog op een bijzonder meisje in het gezelschap van een oudere man. Het is een dag voor toeval. Tijdens het bezoek vindt een explosie plaats als uitdrukking van een terroristische aanslag. De moeder van Theo overleeft de aanslag niet. Subliem is de passage dat Theo bij kennis komt en stukje bij beetje zijn desoriëntatie overwint. De enige die zich in dezelfde gehavende zaal bevindt is de oude man. Theo is in zijn nabijheid als de oude man de laatste adem uitblaast maar niet nadat hij hem heeft opgedragen een schilderij mee te nemen. Dat blijkt Het Puttertje van Carel Fabritius te zijn, een werk dat de verbinding legt tussen Rembrandt en Vermeer. Met het doek onder de arm zoekt hij een veilig heenkomen. Zijn odyssee en die van het schilderij gaat beginnen.

    Ik droomde continu van haar, maar als van iemand die er niet was, niet iemand die er was: een windje dat door een zojuist ontruimd huis trok, haar handschrift op een blocnote, haar parfum, straten in vreemde verlaten steden waarvan ik wist dat ze er even tevoren had gelopen en nog maar net uit was verdwenen, een bewegende schaduw op een zonnige muur


    Donna Tartt heeft een roman geschreven over verlies en over de troost die de schoonheid van kunst kan bieden. Het boek is rijk gevuld met bijzondere karakters die met zorgvuldigheid getekend zijn. Niet alleen in het kleine blinkt ze uit maar ook in het grote. De compositie is sterk. Personages maken soms honderden bladzijden later een rentree om rolvast een duw aan het verhaal te geven. Tartt is een fijnschilder die werkt op een groot doek. Het onderscheid tussen show and tell heft ze op. In de regel doet ze alle twee. Als ze beschrijft welke inspanningen het Theo kost om af te kicken van alcohol en drugs doet ze dat in een koortsige stijl. Als Tartt de verliefdheid van Theo beschrijft op Pippa, het meisje uit het museum, gebeurt dat via een eruptie van emotionele associaties. Pippa en Theo hebben in vergelijkbare mate af te rekenen met verlies en schuldgevoel. Misschien is er wel te veel herkenning voor een gelukkige relatie tussen hen.
    Zelfs de bijfiguren blijven in dit vuistdikke boek te midden van de overdaad overeind zoals de portiers in het wooncomplex waar Theo met zijn moeder woonde. Theo verdient succesvol zijn brood in de antiekhandel. Hij deinst niet terug om zijn klanten knollen voor citroenen te verkopen. Dat zal hem ernstig in de problemen brengen. Uiteindelijk zal hij in Amsterdam belanden om zijn hachje te redden. Theo is bij lange na geen modelburger maar dat is voor de lezer geen belemmering om zich te identificeren met zijn lot. Waren de vorige romans van Tartt al indrukwekkend, nu heeft ze zich zelf nog overtroffen. Wat zal ze over tien jaar uit de hoge hoed te toveren. Het is verleidelijk om na de laatste pagina aan een tweede lezing te beginnen. Chapeau.

Lijstjes

Dit boek komt voor in de lijstjes: