Leesimpressies

  • Douwe Draaisma: Ontregelde geesten

  • Nr. 9 - 2007
  • Sociale wetenschappers die kunnen schrijven zijn zeldzame vogels. Gelijk een witte raaf of zwarte zwaan. Douwe Draaisma behoort tot die categorie van uitzonderingen. Hij liet dat al zien in zijn boek De metaforenmachine, een geschiedenis van het geheugen. Daarna bereikte hij een groter publiek met de nieuwsgierig makende titel Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. Opnieuw stond het geheugen centraal maar nu toegespitst op de rol die de herinnering in het eigen leven speelt, het autobiografische geheugen. In zijn nieuwste boek staan de hersenen op de voorgrond maar dan vanuit het perspectief van verschillende ziektebeelden en hun naamgevers.


    Draaisma beschrijft in dertien hoofdstukken even zo vele ziektebeelden en hun naamgevers. Hij begint met het syndroom van Bonnet waarbij iemand tegen het vallen van de avond, wanneer het stiller wordt, gestalten ziet die er niet zijn. Hij eindigt met het syndroom van Asperger, een relatief milde vorm van autisme. Tussendoor komen we bekende namen tegen als Parkinson en Alzheimer naast minder bekende als Brodmann en Capgras. Het zijn allemaal voorbeelden van eponiemen dat wil zeggen eigennamen die zijn uitgegroeid tot soortnamen. Draaisma beschrijft in elk hoofdstuk hoe een arts tot zijn ontdekking is gekomen en het verloop van de naamgeving. Wie mocht denken dat een ontdekking precies te lokaliseren valt op een bepaalde dag en dat kort nadien het label op de ziekte geplakt wordt, heeft een al te simpel beeld voor ogen. De werkelijkheid is veel diffuser.

    Een arts is weliswaar getraind in het waarnemen van afwijkingen maar dan toch in afwijkingen die via opleiding en ervaring deel uit maken van zijn bagage. Je moet dus open staan voor het nieuwe en er bovendien van overtuigd raken dat het nieuwe niet te kwalificeren valt onder een reeds bekend ziektebeeld. Draaisma vertelt uit eigen ervaring hoe hij als werkstudent in een bejaardentehuis een voorbeeld van het bovengenoemde syndroom van Bonnet over het hoofd zag. Het maakt duidelijk hoe makkelijk het is om iets niet te ontdekken en zelfs dus om iets niet te zien dat al ontdekt is. Wanneer iets ontdekt is als ziektebeeld, kan er nog een lange weg volgen naar het vinden van de oorzaak. Daarbij is het extra lastig om een tekort als verklaring te onderkennen zoals met dopaminegebrek in relatie tot Parkinson het geval is.

    De voorbeelden uit het boek dateren uit het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. De artsen zijn zelf behandelaars. Daarna wordt medisch onderzoek meer en meer teamwork en neemt de kans op vernoeming af. Tegenwoordig is een naam bestaande uit een afkorting in zwang zoals AIDS, ADHD en RSI illustreren.

    Is het doen van een ontdekking al omkleed met toeval, voor vernoeming geldt dat in nog sterkere mate. Je hoeft niet eens de eerste te zijn die een verschijnsel waarneemt om voor vernoeming in aanmerking te komen. De eigennaam is trouwens ontleend aan de arts en niet aan de patiƫnt. Ook kan er een ruime periode zitten tussen ontdekking en vernoeming. Soms wel enkele decennia. Belangrijk is in ieder geval dat een gezaghebbend iemand het voorstel lanceert om een bepaald ziektebeeld naar jou te vernoemen. Een ijverig familielid legt geen gewicht in de schaal. Bekend is steeds wie de aanzet tot de vernoeming heeft gepleegd. De vernoemer verdwijnt dus evenmin in de anonimiteit. Bovendien biedt tijdsverloop ruimte om nieuwe invalshoeken op het ziektebeeld los te laten. Zo is er regelmatig sprake van een verschuiving van psychiatrie naar neurologie of zoals Draaisma dat noemt van divan naar apotheek. Een radicale vorm van een nieuwe zienswijze is te vinden in het hoofdstuk over Lombroso wiens opvatting over de geboren misdadiger inmiddels is bijgezet op het kerkhof van de geschiedenis. Het was zo lekker overzichtelijk om criminelen te kunnen duiden aan de hand van gezichtskenmerken. Pas op voor dichte haarinplant, vooruitstekende wenkbrauwbogen, een overontwikkelde onderkaak, misvormingen van het oor en een asymmetrisch gezicht. Hij voegde aan deze typering als overtuigend detail een hang naar tatoeages toe. Hoe merkwaardig dit nu allemaal aandoet, Lombroso vond in eerste instantie wel degelijk empirische aanwijzingen voor zijn visie. Bij later onderzoek werden zijn bevindingen echter weerlegd.

    In het slothoofdstuk komt Draaisma tot enkele interessante bevindingen. Metingen, die toch een schijn van objectiviteit suggereren, blijken vaak resultaten te generen die aansluiten op de heersende maatschappelijke opvattingen. Alsof de tijdgeest ook de apparatuur in haar greep heeft. De ziektegeschiedenissen die het boek beschrijft zijn ontleend aan gevalsbeschrijvingen. De huidige wetenschap, als statistisch universum, hecht meer waarde aan kwantitatieve uitkomsten. De romankunst heeft het gat gevuld dat artsen uit een vorig tijdperk hebben achtergelaten. Niet de wetenschap maar de verbeelding maakt een ziekte invoelbaar. Bernlef brengt in Hersenschimmen Alzheimer tot leven. Mark Haddon doet iets vergelijkbaars voor het syndroom van Asperger in The curious incident of the dog in the night-time. Draaisma is de juiste man om een brug tussen uiteenlopende werelden te slaan. Zijn boek stoelt op uitvoerig bronnenonderzoek. Toch maakt op mij vooral het vertelplezier van de auteur indruk. Dat sla ik op in het autobiografisch geheugen.