Leesimpressies

  • Erik Vlaminck: Suikerspin

  • Nr. 29 - 2009
  • Erik Vlaminck heeft als milieu voor zijn nieuwste boek het volkse decor van de kermis gekozen. Hij beschrijft de lotgevallen van een kermisfamilie over een tijdspanne van ruim honderd jaar. Vlaminck heeft een kloppend hart voor het gesappel van gewone mensen. Over armoede dient men niet te zwijgen maar verslag te doen. Eerder nam hij zijn eigen familie tot onderwerp. Via zes novellen bouwde hij een indrukwekkende familiekroniek die begon met Quatertemperdagen en eindigde met Het schismatieke schrijven. In dat laatste deel maakte hij zelf als personage zijn opwachting. Dat recept keert terug in Suikerspin al treedt de schrijver nu buiten de familiepaden.

    Via de verschillende generaties Van Hooylandt leren we veel over het bestaan van kermisklanten. Grondlegger is Jean-Baptist Van Hooylandt, roepnaam Tist, die in 1874 is geboren in Oost-Vlaanderen binnen een kroostrijk gezin. Hij reist de kermissen af met een rariteitenkabinet. De eerste attractie is zijn zwakzinnige broer Gust. Daarna volgen een dwerg en een vrouw met een baard. Het meeste opzien baart hij echter met het exploiteren van een Siamese tweeling. De zusjes Josephine en Anastasia worden tegen betaling aan het publiek gepresenteerd. Hun bestaan is deerniswekkend. Josephine beschikt over een normaal verstand maar Anastasia is slechts in staat onbegrijpelijke klanken uit te stoten. Opgevoerd worden als een bezienswaardigheid is op zichzelf al een vernedering maar de behandeling die de meisjes buiten hun optreden moeten ondergaan is zo mogelijk nog onmenselijker. Vlaminck poogt hun leven te reconstrueren met behulp van documenten. Hij doet een beroep op Arthur van Hooylandt, de kleinzoon van Tist. Arthur deelt met Tist een lomp karakter. Horkerigheid slaat vaak een generatie over.


    Omdat de kermis evolueert heten de botsauto’s van Desiré de Braeckeleer niet meer Voitures Locarno maar American Scooter


    Arthur van Hooylandt is degene die in het boek het meest aan het woord komt. Hij is een vijftiger die verbitterd commentaar levert op alles wat het waagt onder zijn aandacht te raken. Wereldlijke en kerkelijke gezagsdragers moeten het ontgelden. Iedereen heeft het op hem gemunt niet in de laatste plaats zijn eigen zoon Tony en diens gangsterachtige Hollandse teef Jana. ‘Wijven zijn crapuleuze serpenten’, vormen de eerste woorden die hij in het boek spreekt. Arthur heeft het niet alleen gemunt op zijn aspirant schoondochter maar ook op zijn weggelopen echtgenote Miranda van Frituur Miranda. Kenmerkend voor de boutades van Arthur is zijn typering van Miranda. “Overdag was ze zo zot als een achterdeur en ’s avonds en ’s nachts zo heet als een gloeiende kolenstoof. Die zogenoemde opwarming van de wereldbol waar ze de gazetten over vol schrijven op de dagen dat er geen ander nieuws is en waar de groene mannen hun broodwinning van hebben gemaakt, is volgens mij door haar veroorzaakt.” Vermakelijk zijn de scènes waarin Arthur bezoekt krijgt van de schrijver gedurende diens zoektocht om het verhaal van de Siamese tweeling rond te krijgen. Een botsing van totaal verschillende werelden. De erupties van Arthur maken een authentieke indruk. Je ziet hem voor je eenzaam in zijn opslagloods. Onverstoorbaar blijft hij kaartjes verkopen voor een ritje op zijn draaimolen. Niet alleen de hangar is leeg ook de draaimolen. Alle attributen zijn gestolen. Natuurlijk keert de verzekering niet uit. Daarvoor was een alarminstallatie nodig geweest. Ook de kleine lettertjes zijn tegen Arthur.

    Vlaminck is uitstekend in staat om op een geloofwaardige manier aan gewone sentimenten een stem te geven als een ware nazaat van Louis Paul Boon. Het volkse karakter lijkt in Nederland gereserveerd voor de streekroman maar in Vlaanderen behoort die stijl tot de hoofdstraat van de literatuur. Dat komt misschien wel omdat Vlaanderen minder dan Nederland verstedelijkt is. Het platteland is de norm. Vlaanderen kent amper drie steden met meer dan 100.000 inwoners tegenover Nederland een stuk of 25. Hoewel Vlaanderen tot de welvarendste regio’s van Europa is opgeklommen, galmt het dorpse karakter nog na. Knechten op de akker, in verwarring door Franse bevelen in de loopgraven en gaatjes dicht rijden voor de kopman. Ondergeschiktheid is een talent om af te schudden. Emancipatie gaat niet zonder slag of stoot.

    De roman sprint heen en weer tussen de tijd van Tist met zijn Siamese tweeling en de actuele frustraties van Arthur. Schrijvermans, die kwalificatie is van Arthur, heeft het heden echter nodig om uit te komen bij de waarheid van toen. In de archieven van de burgerlijke stand van de gemeente Diest bevinden zich de documenten die de nieuwsgierigheid van Vlamincck kunnen bevredigen. De informatie wordt alleen aan bloedverwanten beschikbaar gesteld. Via wat pintjes en spek met eieren is Arthur bereid als bondgenoot te fungeren. Op het stadhuis hebben de documenten een verrassing in petto.

    Arthur reist inmiddels met een suikerspinkraam langs de kermissen in Belgisch en Nederlands Limburg. Zijn zoon Tony, van beroep onderwijzer, knapt in zijn vrije tijd de oude draaimolen op. Hij hoopt, als de restauratie klaar is, in de schoolvakanties enkele kermissen aan te doen. De naam op de koersfiets van de draaimolen is overgeschilderd van Coppi in Merckx, van Merckx in Boonen. De traditie gaat voort.