Leesimpressies

  • Evald Flisar: Mijn vaders dromen

  • Nr. 6 - 2017
  • Niemand weet waarom mijn vader kort na zijn vijftigste gek werd, terwijl hij toch als een uitermate verstandig mens bekend stond. Als een dergelijke zin te vinden is op de eerste bladzijde van een roman, weet de lezer direct dat er onheil op komst is. Die verwachting wordt waar gemaakt. Het onheil loert van alle kanten. Zelfs het weer werkt mee. Hevige onweersbuien en stormachtige winden bepalen mede de sfeer. De zin in kwestie is afkomstig van Evald Flisar, de eminence grise van de Sloveense literatuur. Flisar heeft een grote productie op zijn naam en beoefent verschillende genres. Zo staat hij ook bekend als schrijver van toneelstukken. Hij is in vele talen vertaald en menigmaal met prijzen onderscheiden. Toch is de roman waar het hier om gaat, bij mijn weten, het eerste werk van hem dat in het Nederlands verschijnt. Het betreft een zeer recente uitgave, hoewel het origineel uit 2001 dateert. Er was kennelijk een rijpingsproces noodzakelijk. Over Sloveense schrijvers is mij weinig tot niets bekend. De enige andere Sloveense auteur in mijn bibliotheek is de modieuze filosoof Slavoj Zizek die onder meer als inspiratiebron fungeerde voor de beweging Occupy. Laat je niet dood knuffelen door politici was zijn oproep aan de protestbeweging.

    De roman van Flisar heeft een 14-jarige hoofdpersoon genaamd Adam. Hij is enig kind uit een gezin waar het klimaat kil is. Vader is huisarts op het platteland. Adam bewondert zijn vader in hoge mate, hoewel hun verhouding afstandelijk is. Moeder maakt zich vooral druk dat het gezin geen imagoschade op loopt. Zij maakt zich zorgen over wat de anderen wel niet over het gezin zullen zeggen. Zowel Adam als zijn vader uiten zich vaak denigrerend tegenover de moederfiguur met een huilbui als gevolg. De ouders van Adam heten Marija en Jozef. Adam wordt verliefd op een jaar ouder maar wel vroegrijp meisje dat uiteraard Eva heet. Flisar heeft er een handje van om veel symboliek in zijn roman te stoppen. Dromen nemen een belangrijke plaats in en daarom maken ook Freud en Jung hun opwachting in het verhaal. Het eenzame bestaan van Adam krijgt kleur door de verbondenheid die hij voelt met een foetus in een pot met formaline, die hij beschouwt als zijn jong gestorven broertje. De broer heet Abortus. Adam voert hele gesprekken met Abortus.
    Het gewone onopvallende bestaan van Adam neemt een vreemde wending als hij voor school een opstel moet schrijven met als onderwerp ‘wat heb ik vannacht gedroomd?’. Adam beschrijft een droom waarin hij de trein met daarin zijn moeder bewust laat ontsporen. Adam is trots op zijn opstel maar de leraar trekt bij lezing doodsbleek weg. Wat is er met Adam aan de hand? Vanaf dat moment houdt Adam niet meer op met dromen. Daarbij is er een droom die telkens terugkeert. Hij droomt dat zijn vader seks heeft met Eva. Adam bespioneert zijn vader in de behandelkamer en weet dat zijn vader de verslaafde Eva van drugs voorziet in ruil voor een seksuele tegenprestatie. Adam noteert al zijn dromen in een schriftje. Het opschrijven van de dromen geeft nog meer voldoening dan de dromen zelf. Werkelijkheid en droom beginnen voor Adam onontwarbaar door elkaar te lopen. Zijn ouders maken zich zorgen over het welzijn van Adam. Er komt een psychiater aan te pas om hem te onderzoeken. De ingeschakelde deskundige beoordeelt de situatie als ernstig.

    In heel mijn psychoanalytische praktijk, zei hij, heb ik nog nooit een geval meegemaakt waarin een patiënt – en ik gebruik dat woord bewust – elke nacht door dezelfde droom wordt bezocht en bovendien niet in staat is om dromen en werkelijkheid uit elkaar te houden


    Naast de hulp van een psychiater is een verblijf in een vakantieoord een poging van de ouders om Adam weer in het goede spoor te krijgen. Hij ontdekt echter al snel dat hij niet in een vakantieoord verblijft maar in een instelling voor mensen bij wie ‘een steekje loszit’. De warmte en vertrouwdheid die Adam thuis mist, vind hij wel bij de grootvader van Eva, een gepensioneerde kapitein bij de koopvaardij. Daar kan hij zonder schaamte zijn verhaal kwijt.
    Dromen zijn geschiedenissen die zich niet houden aan de wetmatigheden van het gewone leven. Schrijvers kunnen in dromen alles van stal halen inclusief het tegenovergestelde. Dromen zijn in romans vaak een zwaktebod om een impasse in de vertelling te doorbreken. Zelden beleef ik als lezer plezier aan een roman waarin de handeling grotendeels is opgehangen aan dromen van de personages. Toch kostte het geen moeite om in de roman van Flisar te blijven lezen. De doem van onheil, die vanaf de eerste bladzij boven het verhaal hangt, stimuleert tot doorlezen. Aan het eind komt er wel een climax al zijn daarmee niet alle raadsels opgehelderd. De auteur heeft overigens bij het schrijven nog een merkwaardige keuze gemaakt. De roman wordt verteld vanuit het perspectief van Adam. Dat is echter niet de 14-jarige versie van hem. Het verhaal is opgetekend door een volwassen Adam. Hij is op het moment dat hij verslag doet werkzaam als kapitein bij de koopvaardij en is dus in de voetsporen getreden van de grootvader van Eva bij wie hij altijd een gewillig oor vond. Hij beschrijft met terugwerkende kracht zijn lotgevallen als 14-jarige maar doet dat niet met het inzicht dat hij achteraf verworven moet hebben maar met de naïviteit waarmee hij toen als puber alles beleefde. Het zou het boek verrijkt hebben als de volwassen Adam een inkijkje gegeven zou hebben hoe hij nu als volwassenen terugkijkt op de ervaringen uit zijn jeugd en welke inzichten hij daaraan ontleend heeft. Daar komt de lezer echter niets over te weten.