Leesimpressies

  • Francis Fukuyama: Political order and political decay

  • Nr. 34 - 2015
  • Hoe kun je zelf Denemarken worden, luidt de vraag waarmee Francis Fukuyama ooit op onderdoek uitging. Voor het antwoord heeft hij twee kloeke delen nodig. In het eerste behandelde hij de vroege oudheid, zelfs van voor het bestaan van de mens, tot de Franse revolutie. Het tweede bestrijkt de periode vanaf de industriële revolutie tot de democratieën in de geglobaliseerde wereld van nu. Denemarken lijkt zijn zaakjes goed voor elkaar te hebben. Het land kent democratische vrijheden, hanteert de principes van de rechtstaat en biedt zijn inwoners veiligheid en welvaart. Hoe komt het dat niet alle landen zo’n aanlokkelijk pakket aan hun burgers voorschotelen? Na de invallen in Irak en Afghanistan weten we het zeker. Democratie kun je niet per bommenwerper over de wereld uitrollen. Boots on the ground zijn evenmin een tovermiddel. Er is kennelijk meer nodig wil een land zich ontwikkelen naar een Deens patroon. Natuurlijk is Denemarken een voorbeeld bij wijze van spreken. Er zijn meer landen die over bovengenoemde kenmerken beschikken. De meeste landen staan er echter minder rooskleurig voor. Fukuyama, verbonden aan een instituut voor internationale studies van Stanford, speurt naar de geheimen van de succesformule.

    Voor politieke orde heb je een sterke staat nodig, niet per se een grote. De staat dient capabel te zijn om de taken waarvoor zij zich geplaatst ziet naar behoren uit te voeren. In de eerste plaats gaat het om het verschaffen van veiligheid en bescherming aan de burgers. De staat levert diensten die door particulier initiatief niet vanzelf ontstaan. Daarvoor zijn de kosten te hoog. De staat verwerft inkomsten uit belastingheffing. Dat werkt mits burgers bereid zijn te betalen. En die bereidheid is er als de staat wat te bieden heeft. Voor de eisen waar een staat aan behoort te voldoen valt Fukuyama terug op de bureaucratische principes van Max Weber. Een staat dient onpartijdig te handelen zonder aanzien des persoons. Medewerkers van de staat krijgen een aanstelling op basis van opleiding en deskundigheid. Beslissingen volgen procedurele regels zodat iedereen weet waar hij aan toe is. De staat bezit het monopolie op het gebruik van geweld. Eigen richting is niet toegestaan. Vanwege de macht die zich bij een staat concentreert, alleen al vanwege het gebruik van geweld, is het zaak die macht te begrenzen. Fukuyama ziet twee bronnen die de staat aan banden leggen. Ten eerste zijn er de principes van de rechtsstaat en ten tweede dient er sprake te zijn van democratische legitimering. In een rechtsstaat is de staat net zo aan de wet gebonden als ieder ander. De macht van de staat blijft in balans via controle door de wet en het volk. Ontbreekt het evenwicht tussen de drie begrippen dan gaat het mis. Een staat met te veel macht kan zich ontwikkelen tot een dictatuur en een staat met te weinig macht krijgt weinig voor elkaar. In veel landen is er een gebrekkige politieke orde door een zwakke of fragiele staat.

    Almost all the authors systematically studying the phenomenon of conflict point to weak governments and poor institutions as a fundamental cause of both conflict and poverty


    Fukuyama geeft een indrukwekkend overzicht hoe staten over de hele wereld wel of niet tot ontwikkeling zijn gekomen. Om enkele voorbeelden te noemen: hij geeft aan waarom in Griekenland het cliëntelisme kan gedijen en waarom China wel een sterke staat heeft maar geen rechtsstaat is. The rule of law heeft vooral wortel geschoten in landen die onder invloed van een overkoepelende godsdienst stonden. Regelgeving is ontstaan via de schriftelijke neerslag van normen ontleend aan religie. Verder geeft hij de spanning weer tussen natie en staat. Vallen grondgebied en de aanwezigheid van een homogene bevolking samen dan is er sprake van een natiestaat. Lopen die twee niet synchroon dan heeft een land de kiem voor onenigheid in huis. Fukuyama heeft duidelijk een eigen visie maar duwt die de lezer niet dogmatisch door de strot. De onderwerpen die hij behandelt zijn zo complex dat monocausale verklaringen in hun simpelheid te kort schieten.
    Veel zwakke staten bevinden zich in of nabij de tropen. Klimatologische omstandigheden leveren daarvoor een populaire verklaring. Fukuyama laat zien dat er echter grote verschillen kunnen zijn in ontwikkeling tussen landen die goed of minder goed functioneren in dezelfde klimatologische situatie. Zo doet in Afrika Tanzania het veel beter dan Kenya en in Midden-Amerika onderscheidt Costa Rica zich in positieve zin van Guatemala.
    Fukuyama lijkt in dit boek enige afstand te nemen van zijn eerdere opvatting zoals verwoord in The end of history and the last man uit 1992. Toen betoogde hij dat de liberale democratie het hoogtepunt vormt van de menselijke geschiedenis en dus ook het eindpunt zou zijn. Daarna komt er niets meer. Nu benadrukt hij dat verval een organisch onderdeel van elke ontwikkeling is. Omstandigheden wijzigen permanent en als de instituties niet mee veranderen dan zal verval optreden. Verval ontstaat om twee redenen. Ten eerste als de staat in plaats van het publieke belang te dienen vooral de oren laat hangen naar specifieke elites en ten tweede als er verstarring optreedt. Hij noemt Amerika een staat in verval en gebruikt daar de fraaie term vetocratie voor omdat de uitvoerende macht daar onduidelijk is verdeeld tussen president en congres met bij verschil van inzicht verlamming als gevolg. Ook de Arabische lente is een uiting van het verval van de politieke orde in de betreffende landen. In Tunesië was Zine al-Abidine Ben Ali 23 jaar aan de macht, Hosni Mubarak 30 jaar in Egypte en Muammar Qadaffi 41 jaar in Libië. Ben je net lekker onderweg naar Denemarken, steekt een fruitverkoper zich in brand en wordt er een opstand bij elkaar getwitterd. De wijsheid van Fukuyama zal altijd door de grillen van machthebbers en bevolkingsgroepen op de proef gesteld worden. Gelukkig realiseert hij zich dat zelf ook.