Leesimpressies

  • Frank Heinen: Uit koers

  • Nr. 23 - 2014
  • Op internet las ik een vermakelijke column van Frank Heinen over het verslaggeversduo Renaat Schotte en José de Cauwer. Heinen vergelijkt het tweetal met een huwelijk dat te lang in stand is gebleven. Voor sportwedstrijden die een flinke claim leggen op de klok is het cocommentaarschap een vondst. Meestal betreft het een combinatie van een journalist met een voormalige topsporter. Zelf kan ik uren luisteren naar de combinatie Michel Wuyts en José de Cauwer. Een commentator is aangenaam om in de huiskamer te ontvangen als hij een deskundige liefhebber blijkt te zijn en voorzien van relativeringsvermogen. Luister je naar een duo dan ben je als televisieconsument onvermijdelijk getuige van de onderlinge verhoudingen. Bij Wuyts en De Cauwer is al jaren sprake van wittebroodsweken. Bij Schotte en De Cauwer is het te laat voor mediation. Een andere favoriete combinatie van mij bestaat uit Don Orsillo en Jerry Remy die uit en thuis blijmoedig alle wedstrijden van de Red Sox van commentaar voorzien voor televisiemaatschappij NESN. Dat zijn er in de reguliere competitie al 162 per jaar. Nooit krijg ik genoeg van zinnetjes als: the pitch to Ortiz was low inside and that was a big mistake. Zoals Heinen laat zien, werkt niet elke combinatie. Elk duo waar Mart Smeets deel van uitmaakt sneuvelt in de voorronde van de kwalificatie. Op de relatiemarkt zijn de nieten in de meerderheid. De column van Heinen was de aanzet om meer van hem te lezen.

    Het boek met de schitterende titel Uit koers bevat een bundeling stukken over vergeten renners. In het voorwoord merkt Heinen op dat veel van de verzamelde verhalen een slechte afloop kennen. Een wielerkoers kent slechts één winnaar en vele verliezers. Geluk is een saai verhaal. Heinen stort zich op de verliezers. In sommige levens toont de nederlaag zich al in de sportloopbaan, in andere gevallen pas daarna. Veel van de beschreven levens kennen een voortijdig einde. Verkeersongelukken en de verwoestende werking van doping keren met regelmaat terug. Heinen heeft 108 stukken uitgesmeerd over zo’n 300 bladzijden wat neerkomt op amper drie bladzijden per verhaal, per leven. Heinen pendelt voortdurend tussen waarheid en verdichting. Soms prevaleert het spectaculaire verhaal zoals over de Luxemburgse Tourwinnaar François Faber die, wat dit jaar volop in de belangstelling staat, meevocht in de Eerste Wereldoorlog.

    Faber ontving in zijn loopgraaf een brief waarin hij ervan op de hoogte werd gesteld dat zijn vrouw bevallen was van hun dochter. Van puur enthousiasme sprong hij vervolgens zo hoog in de lucht dat een Duitse scherpschutter hem in het vizier kreeg en doodschoot


    Heinen beschikt zonder meer over een vlotte pen. Achteloos beheert hij een magazijn met schappen vol metaforen. Voor mij introduceert hij het woord tegengoesting dat direct voor zich zelf spreekt. Veelzeggend is de opmerking naar aanleiding van de hoge verwachting bij opmerkelijke prestaties van een jonge coureur dat er meer toekomstige Tourwinnaars zijn dan toekomstige Tours. De pretentie dat het omvergeten renners gaat, is aanvechtbaar. Wielerliefhebbers zullen veel bekende stof tegenkomen.
    Gaandeweg het boek steeg bij mij de irritatie. Heinen maakt geen keuze tussen de invalshoek van de journalist en die van de verhalenverteller. Veel stukken lijden aan effectbejag. Dikwijls komt het voor dat Heinen melding maakt over wat een renner op een bepaald moment dacht of voelde. Hoe weet hij dat? De renner in kwestie is vaak al jaren dood. Aan het eind van het boek heeft Heinen een uitgebreide bronnenlijst maar per artikel ontbreekt een concrete verwijzing. Soms is er sprake van een poging tot een telefoongesprek of een verstuurde mail ter opheldering of verificatie. Een antwoord blijft menigmaal uit. De indruk van gemakzuchtige journalistiek overheerst. Ook de uitgever had wel wat meer inspanning mogen doen om een aantal onnodige fouten te vermijden. Op dezelfde bladzij wordt zowel beweerd dat Roger Walkowiak in 1954 als in 1956 zijn enige Tour heeft gewonnen.
    Nergens bevat het boek een verantwoording van waarom juist deze 108 verhalen zijn geselecteerd. We reizen meer dan een eeuw door de tijd en bezoeken vele landen. Om bij de Nederlandse situatie te blijven rijst de vraag waarom er wel stil gestaan wordt bij de vroegtijdige dood van Eef Dolman, Bas Hordijk en Michel Zanoli en niet bij die van anderen. In mijn herinnering duiken namen op als die van Johannes Draaijer, Leo Duyndam, Bert Oosterbosch, Marc Sauna Diana Siemons en Bart Zoet.
    Soms blijft een poging tot verklaring uit en blijft de lezer achter met de beschrijving van een onbegrijpelijke daad. Waarom kwam Vic van Schil, die zijn labeurwerk als meesterknecht van Eddie Merckx met volle overtuiging uitvoerde, een hogere functie is in België nimmer beschikbaar geweest, vele jaren later tot zelfmoord.
    Een ander onbevredigende afloop is het verhaal van de moordaanslag op ex-renner Dimitri Neliubin. Geen woord over motief of afwikkeling met de daders. De verhalenverteller Heinen weet op veel momenten te boeien. De journalist Heinen is onder de maat gebleven.