Leesimpressies

  • George Orwell: Dagboeken 1931-1949

  • Nr. 32 - 2014
  • Uitgeverij de Arbeiderspers leek er jaren plezier in te scheppen om de eigen kroonjuwelen, de prachtige autobiografische reeks Privé-domein, te verkwanselen. Er verschenen nauwelijks nog nieuwe delen en het allooi liet te wensen over. Beschikte de uitgeverij over de rechten van autobiografische geschriften door een gerenommeerd schrijver, zoals de oorlogsbrieven van Heinrich Böll, dan bracht zij die buiten de reeks uit. Er lijkt echter een kentering opgetreden. Misschien is de weg omhoog ingezet met het brievenboek van de dichter Ted Hughes. Kort na elkaar verschenen dit jaar delen van George Orwell en Curzio Malaparte. Binnenkort is een uitgave voorzien van een briefwisseling met August Willemsen, die met zijn Braziliaanse brieven tot de topstukken gerekend mag worden. De reeks die in 1966 begon, beleeft mogelijk een nieuwe periode van glorie. Ooit was Orwell de uitverkorene van deel 23, Een olifant omleggen. Met de huidige publicatie van de dagboeken zijn we bij deel 277 beland. Het is een zorgvuldige uitgave geworden. De opgenomen dagboeken worden steeds voorafgegaan door een korte biografische en bibliografische schets zodat duidelijk is tijdens welke fase van leven en werk het dagboek geschreven werd. Bovendien helpen vele voetnoten mee aan de duiding van de aantekeningen.

    George Orwell, een pseudoniem voor Eric Blair ontleend aan de naam van een rivier, laat zien dat hij in sterk contrasterende werelden leefde. Er zijn dagboeken met een sterk politieke inslag waarin de gebeurtenissen in de grote mensen wereld gevolgd worden naast dagboeken die betrekking hebben op de huiselijke beslommeringen in de moestuin. Als een ware voorloper van Maarten ’t Hart doet Orwell in sperziebonen en broccoli. We krijgen het te horen als de prei er meelijwekkend aan toe is. Ook is er aandacht voor geiten en kippen. De dagelijkse oogst aan eieren krijgt vermelding in een speciaal kippenboek. Waar hij ook over schrijft, Orwell is een nauwkeurig waarnemer. Hij legt graag precies vast wat iets kost, hoeveel benzine er getapt is en wat de afmetingen zijn van een voorwerp. Orwell is geen man van de Franse slag. Zijn sociale engagement beleeft hij niet van achter een bureau maar het liefst ter plekke. Als zwerver in Londen schrijft hij over het scheren ’s ochtends vroeg in de fonteinen van Trafalgar Square of over zijn ervaringen als bordenwasser in Parijs. Het eerste deel dagboeken handelt over de erbarmelijk omstandigheden van de hop plukkers. Ook hier spreekt de eigen ondervinding. Orwells mededogen gaat uit naar de arbeidersklasse maar hij is sceptisch over verbeteringen van het systeem.

    Een revolutie begint met een wijde verbreiding van de ideeën van vrijheid, gelijkheid enz. Vervolgens ontstaat er een oligarchie die evenveel belang heeft bij het vasthouden aan haar privileges als elke andere heersende klasse


    De Orwell, die zijn pijlen op de buitenwereld richt, spreekt mij het meest aan. Als hij op werkbezoek gaat naar het Noorden van Engeland om research te doen voor wat later The road to Wigan Pier zal worden, weet hij de claustrofobische sfeer van het werken in een mijn indringend over te brengen. Boeiend om te lezen zijn de aantekeningen van voorjaar 1939 tot eind 1942. We kijken nu met de wijsheid van later naar die periode. De aantekeningen maken duidelijk in welke mate er in die periode zelf onzekerheid bestond over wat er zou gebeuren. Eerst is er de grote twijfel of het daadwerkelijk tot oorlog zal komen. Daarna is er de angst of Engeland de Duitse aanvallen kan weerstaan en met welke schade. Op een gegeven moment is het voor de volgers van het wereldnieuws duidelijk dat het pact tussen Duitsland en Rusland geen stand zal houden. De implicaties van oorlogshandelingen tussen die twee landen voor Engeland is ongewis. Zou de afkeer van het communisme opeens de sympathie van de Engelsen de Duitse kant opsturen?
    Het is opmerkelijk dat een groot schrijver als Orwell, wiens Animal farm en 1984 onmiskenbaar tot de canon van de wereldliteratuur behoren, in zijn dagboeken bijna geen gewag maakt van het literaire milieu. Dat lijkt een subcultuur die ver van de zijne afstaat. Komt er bij hoge uitzondering een schrijver in de aantekeningen voor dan is dat meestal in een politieke context. Zo haalt Orwell met instemming Connolly aan als deze opmerkt dat intellectuelen het gewoonlijk bij het juiste eind hebben omtrent de richting van de gebeurtenissen maar niet omtrent het tempo waarin dat zal geschieden.
    Bovengenoemde meesterwerken publiceerde Orwell kort na de tweede Wereldoorlog. Van de roem heeft hij niet lang kunnen genieten. Orwell overleed in 1950 op 46-jarige leeftijd, geveld door de tuberculose die hem lang kwelde. Boven veel van zijn werk hangt een benauwende sfeer. Voor een lichte toon is geen ruimte. Als Orwell in de oorlog joodse moppen spaart, doet hij dat niet vanuit een belangstelling voor humor maar om te boekstaven in welke mate het antisemitisme voortschrijdt. Waar een glimlach doorbreekt in zijn werk is de harde waarheid nooit ver uit de buurt. Denk aan het essay Decline of the English murder of het ongemak van de jonge politieagent die om het volksgevoel van de omstanders te behagen een olifant neerschiet. Voor grote literatuur moet de vrolijkheid wijken.