Leesimpressies

  • Gerrit Komrij: Morgen heten we allemaal Ali

  • Nr. 48 - 2010
  • Gerrit Komrij, hartstochtelijk pleitbezorger van de hogere cultuur, schittert op het ogenblik in een commercial van een boekwinkelketen. De beste boekwinkel ter wereld, overal ter wereld. De man met de fenomenale woordenschat heeft geen tekst maar zijn gezicht spreekt boekdelen. Cosi fan tutte meets pretpark Salou. De onbezonnenheid van de jeugd versus de bedaagdheid van de rijpere generatie. De prijs voor de beste commercial mag van mij dit jaar naar Komrij, een perfecte vorm van typecasting. De man die in de spot verdwaasd rondloopt, lijkt sprekend op de auteur van Morgen heten we allemaal Ali. Daarin laat Komrij zijn boze blik schijnen over wat hem aan de tijdgeest weinig tot niet bevalt. En dat is weer heel wat.

    Komrij begint het boek met het verraad van zijn eigen generatie. Het is de al vaak beschreven route van de hemelbestormers die terecht zijn gekomen op het pluche. Direct daarna volgt een betoog over de teloorgang van de homoseksualiteit. Voor Komrij is homoseksualiteit meer dan een toevallige voorkeur in de liefde. Voor hem staat dat begrip voor een bijzondere levensstijl. Tegen die achtergrond is de Gay Parade hem een doorn in het oog net als de platheid van Gordon en Joling. Met dergelijke klaagzangen maakt het boek een povere start. Het is allemaal eerder betoogd niet in de laatste plaats door Komrij zelf. De auteur citeert in dit boek volop uit eigen werk. Hij grijpt terug op een oude tirade over ‘de onwelriekende gleuvenbrigade’ waarmee hij ooit het feminisme bestookte. Of hij heeft het weer over ‘de onechte billen die je op zak moet hebben’ om de mensen toe te steken, zoals hij dat ooit in zijn vermomde autobiografie Verwoest Arcadië verwoordde. Dat laatste werk dateert uit 1980. Een ander hoogtepunt, de onvolprezen televisiekritieken uit Horen, zien en zwijgen dateert van nog eerder. De diamanten van Komrij zijn al decennia geleden gedolven.


    Ben ik door het lezen eenzelvig geworden, of las ik omdat ik al eenzelvig was? Ben ik door het lezen veelvuldig geworden, of las ik omdat ik al veelvuldig was?


    Desondanks valt er in Morgen heten we allemaal Ali zeker het nodige te genieten. Op het vocabulaire van Komrij valt nog niets van sleet te ontdekken. Zijn formuleringskunst blijft formidabel. In het titelverhaal hekelt hij de drang om vreemdelingen of ze nu Koerd, Turk of Limburger zijn bij voorbaat van de beschaafde wereld uit te sluiten. Hoffelijkheid is het uitgangspunt voor beschaving. De politiek is er om die grondregel te eerbiedigen en niet om die aan de laars te lappen. Mensen hebben de neiging om hen die aan de overkant van de straat wonen als minderwaardig te beschouwen. Een onaangenaam hovaardig trekje. Die hang naar distinctie, vooral naar zelfdistinctie, keert terug in de beschouwing over de B.H. Heldtstraat in het Winterswijk van zijn jeugd. Hebben individuen de gewoonte zich boven anderen te verheffen, het wordt allemaal een graadje erger als het om het onderscheid tussen groepen gaat. Van Winterswijk trekt Komrij de lijn door naar zijn ervaringen in Amsterdam met de Pijp en de Kinkerbuurt. Schrijvend over concrete voorvallen, met het noemen van man en paard, is Komrij op zijn best. Doet hij dat niet dan bestaat het gevaar dat hij zich verliest in ridiculiseren en vergeet te argumenteren. Dan wordt hij, wat Maarten ’t Hart ooit over Nabokov schreef ‘een kroonluchter die niet kan branden’.

    Tot de hoogtepunten van het boek behoren voor mij de beschouwingen die gewijd zijn aan het genoegen van boeken, het lezen en verzamelen en de aantrekkingskracht van boekwinkels. Voor mij is het een troostende gedachte te lezen over iemand bij wie de gekte erger heeft toegeslagen dan bij mijzelf. Voor Komrij zijn steden oceanen met boekhandels als ankerplaatsen. Mooi is het verhaal over een antiquariaat in Porto. De liefde voor boeken gaat diep als je het laatste exemplaar van Over het probleem van de sexualiteit bij champignons niet in de schappen kunt laten staan. Er is altijd thuis een plekje in de bibliotheek, in het hoekje voor bizarre titels.

    Jubelend wordt het boek als het handelt over poëzie. Er is zowel een beschouwing over hoe je poëzie dient te lezen als een handreiking om zelf poëzie te maken. Hier houdt de liefhebber de satiricus buiten de deur. Dat er op dit moment veel belangstelling is voor poëzie schrijft de auteur toe aan de aftakeling van andere bronnen voor inspiratie. Geld en vrije tijd zijn als wensen gehonoreerd. “Poëzie is de fantoompijn van een maatschappij zonder God.” Ontroerend zijn de beschreven leeservaringen. Komrij begon ooit met de serie Daantje van Leonard Roggeveen. Bij een hernieuwde kennismaking stuit hij op het vergeten stijlkenmerk van de streepjes tussen de lettergrepen. Bij mij waren die streepjes ongeveer het enige dat ik onthouden had van de avonturen van dit oude mannetje. Het blijft opmerkelijk dat ooit een oud mannetje de jeugd wist in te palmen. Onopgehelderd blijft waarom Komrij de serie over kabouter Okkie Pepernoot van dezelfde Leonard Roggeveen heeft overgeslagen. Okkie was de gedroomde aanloop naar Daantje.

    Als Komrij afziet van citeren uit eigen werk en concreet benoemt wat hem waarom wel of niet bevalt, behoort hij onverkort tot de boeiendste schrijvers uit ons taalgebied.

Lijstjes

Deze auteur komt voor in de lijstjes: