Leesimpressies

  • Gustave Flaubert: Geluk is onmogelijk

  • Nr. 21 - 2007
  • Boycot jij Franse schrijvers, vroeg een francofiele weblog watcher mij pas? Ik zou Frankrijk nooit durven bruuskeren. Wel is het is jaren geleden dat ik een Frans boek in het origineel las. Verder dan de krant breng ik het niet met een voorkeur voor L’Equipe boven Le Monde. Via vertalingen is er echter veel moois beschikbaar. Mee naar het onbewoonde eiland gaan in ieder geval: De vreemdeling, Reis naar het einde van de nacht, Stijloefeningen maar ook de wat minder bekende romancyclus van Jean Rouaud die begint met De velden van eer en eindigt met In de hemel zoals op aarde. Laten we het erop houden dat louter door toeval Frankrijk op achterstand is geraakt. Zo was ik evenmin al toegekomen aan een deeltje uit de autobiografische reeks privé-domein van de Arbeiderspers. Met Geluk is onmogelijk van Gustave Flaubert zijn in één klap twee misstanden uit de weg geruimd. Allons enfants de la Patrie, le jour de gloire est arrivé.


    Heidendom, christendom, ploertendom. Dat is volgens Flaubert de ontwikkelingslijn van de mensheid waarbij het finale stadium inmiddels bereikt is. Zijn brievenboek, dat vorig jaar uitkwam, is scheutig met krasse uitspraken. Flaubert was een maniakaal brievenschrijver. Al eerder werden bundelingen in privé-domein uitgebracht. Zo is er een deel dat bestaat uit de correspondentie met George Sand, een deel met de brieven aan minnares Louise Colet en een uitgave met uiteenlopende geadresseerden. Laatstgenoemde kreeg als titel mee Haat is een deugd wat een opstap vormt naar Geluk is onmogelijk. Daarmee is de toon gezet.

    Flaubert staat als schrijver bekend als een consciëntieus vakman. Hij wijdde zijn leven aan literaire arbeid. Eindeloos schaafde hij aan zijn stijl. Uitvoerig verdiepte hij zich in zijn onderwerpen. Na gedane arbeid schreef hij dan enkele brieven om stoom af te blazen. Hij geeft daarin ruchtbaarheid aan hoe het werk hem in beslag neemt met alle gevolgen voor zijn humeur en nachtrust. Hij merkt op dat het makkelijker is om miljonair te worden dan één goede bladzij te schrijven. Welvarend was hij overigens niet. Aan Edmond de Goncourt schrijft hij: “U en ik, we zijn volstrekt niet in staat onze boterham te verdienen! Dat is het bewijs van een aristocratische natuur.”

    In zijn brieven verzoekt hij menigmaal om materiaal dat hem als achtergrond kan dienen. Dat kan zelfs zo ver gaan dat iemand geacht wordt uit te zoeken welke namen in een bepaalde streek voorkomen. Een eigennaam vindt hij van kolossaal belang voor een personage. Je kunt iemand net zo min van naam veranderen als een andere huid geven. “Het is zoiets als een neger willen witwassen.”

    Hoewel Flaubert zijn ziel en zaligheid in zijn romans legde (Emma Bovary c’est moi), was het ventileren van eigen meningen voor een schrijver taboe. Nooit mag je het werk als preekstoel voor eigen parochie gebruiken. In brieven kon dat wel. De titel Geluk is onmogelijk is een citaat ontleend aan een brief aan prinses Mathilde, het nichtje van Napoleon de Derde en patrones van kunstenaars en geleerden. Eigen meningen, vaak vilein geformuleerd, kruiden het boek. Het is verleidelijk om hem uitgebreid te citeren. Vooral de politiek en wat hij aan stompzinnigheid in de samenleving waarneemt moeten het ontgelden. “Er is wel gezegd dat we op een vulkaan dansen; dat is een nogal pompeuze vergelijking! Het is helemaal niet het geval! We trappelen op de verrotte plank van een enorme latrine.” Flaubert schrijft aan familie, vrienden en vriendinnen. Zijn zelfgekozen isolement in het nietige Croisset, nabij Rouen, doet hem snakken naar contact met gelijkgestemde geesten. Ivan Toergenjev is zo’n vriend die hij graag als gesprekspartner ziet. Deze krijgt er regelmatig van langs als hij ondanks toezeggingen niet op bezoek komt. Behalve mopperend komt in de brieven ook een andere kant aan de oppervlakte. Naar vrouwen kan hij uiterst hoffelijk en meelevend zijn.

    Flaubert werd geboren in 1821 en overleed op 58-jarige leeftijd. Voor velen geldt –Madame Bovary_ als de eerste moderne roman. Flaubert moest zich voor de rechter verweren tegen het veronderstelde onzedelijke karakter. De eerste brief in deze bundel is gedateerd op februari 1857, de laatste op 3 mei 1880 vijf dagen voor zijn dood. Meer dan de helft van de brieven stamt uit het laatste decennium van zijn leven. Dat was een periode van tegenslagen. Regelmatig maakt hij melding van het verlies dat hij voelt als opnieuw een dierbare hem ontvalt. Toch klink overal doorheen de vitaliteit van een eigenzinnige persoonlijkheid, van iemand die de keuze gemaakt heeft voor zijn werk te leven ondanks alles. Zijn devies luidde: “wees in je leven ordelijk en alledaags, om in je werken heftig en origineel te kunnen zijn.” Hoewel we nu ongeveer anderhalve eeuw verder zijn hebben de brieven hun zeggingskracht behouden. Per brief zijn enkele voetnoten toegevoegd om personen en gebeurtenissen aan de vergetelheid te ontrukken. Dat komt het begrip voor nu ten goede. De verantwoording van de selectie en met name het onderscheid met de eerdere bundel Haat is een deugd ontbreekt helaas. Daar had de lezer wel beter bediend mogen worden. Geheel de uwe, om met Flaubert te spreken.