Leesimpressies

  • Hans Erich Nossack: Unmögliche Beweisaufnahme

  • Nr. 31 - 2015
  • De naam van de schrijver Hans Erich Nossack kwam ik voor het eerst tegen in een interview met taalkundige Wim Daniëls in het tijdschrift Onze Taal. Naar zijn smaak is Nossack de auteur van het beste boek dat hij ooit las. Daniëls groeide op in een Brabants dorp binnen een gezin zonder boeken. Hij zou zich ontwikkelen tot een bekend taalvirtuoos met een enorme productie. Vele facetten van taal hebben zijn belangstelling of het nu gaat om de mieterse taal uit de jaren vijftig of de blitse horend bij de sixties. Bij een breed publiek baarde hij opzien door het Kroningslied in een televisieprogramma meedogenloos te fileren. De kritiek die je wist dat zou komen. Selfmade man Daniëls trok niet naar de grachtengordel maar bleef gewoon thuis in het vertrouwde Aarle-Rixtel. Een man van de wereld kun je overal zijn. Bovendien laat het inwonerschap van Aarle-Rixtel zich goed combineren met het stadsdichterschap van Helmond. Erudiet zonder poespas. Lovende woorden van Daniëls mogen serieus genomen worden. Het wachten was op een goede aanleiding om aan het boek van Nossack te beginnen. Een verblijf van enkele dagen in Hamburg, de geboorteplaats van Nossack, was een gunstig voorteken. Dan hoef je niet de hele tijd naar dat protserige monument van Bismarck te kijken.

    Een argument dat Daniëls naar voren brengt is dat de hele roman van meer dan tweehonderd bladzijden is geschreven in de aanvoegende wijs. Dat mag zo zijn maar vormt zeker niet de grootste attractie van Unmögliche Beweisaufnahme. De kracht van het boek zit minder in de vorm dan in de inhoud. De roman bestaat geheel uit de verslaglegging van een rechtszaak. De hoofdfiguren bestaande uit de president, de officier van justitie, de verdachte en de advocaat zijn ongelukkigerwijs beland in een toneelstuk samengesteld uit misverstanden. Tergend precies zijn de zinnen, die de betrokkenen wisselen, weergegeven. Het blijft voor de lezer lang onduidelijk welke kwestie er nu eigenlijk in het geding is. De vragen en antwoorden willen maar geen aansluiting vinden. De voortgang in de behandeling stokt voortdurend doordat de verdachte om opheldering vraagt en de president de verdachte terecht wijst. Ook de publieke tribune mengt zich door gelach op hinderlijke wijze in de gang van zaken. Dat is voor de president onacceptabel. De ongrijpbare atmosfeer is vanaf de openingszin nadrukkelijk aanwezig. Het is moeilijk om niet direct een link te leggen met Der Prozess van Kafka. Daar luidt het begin: “Jemand mußte Josef K. verleumdet haben, denn ohne daß er etwas Böses getan hätte, wurde er eines Morgens verhaftet.” Zoals bij Kafka op de eerste bladzij duidelijk wordt dat er een doem over het verhaal ligt, is dat bij Nossack ook het geval.

    Nach Verlesung der Anklageschrift gefragt, ob er sich schuldig bekenne, antwortete der Angeklagte, er könne sich leider noch nicht erscheiden


    Geleidelijk ontvouwt zich iets van de toedracht. De verdachte en zijn vrouw hebben laat in de avond de echtelijke woning verlaten. Sindsdien ontbreekt van de vrouw ieder spoor. Is er sprake van een mysterieuze verdwijning of van een misdrijf. Kort voor het incident heeft de man, die verzekeringsagent is, een levensverzekering voor een groot bedrag afgesloten met de echtgenote als begunstigde met de echtgenoot als erfgenaam van de vrouw. Dat geeft aanleiding tot vele bespiegelingen over wat wel en niet verzekerbaar is. De rechtbank poogt te reconstrueren wat er die avond is voorgevallen maar komt eigenlijk geen steek verder. Vragen roepen tegenvragen op. Wat bedoelen rechter en officier met hun vragen inclusief de in bijzinnen verstopte aannames. Behalve Kafka zweeft de brave soldaat Schwejk door de roman heen. Het is geen onwil van de verdachte. Hij werkt graag loyaal mee aan de waarheidsvinding maar wil steeds even eerst helderheid hebben over een passage in de vraagstelling voordat hij uitsluitsel kan geven. Vanzelfsprekend erkent hij strafbaarstelling als de rechtbank op goede gronden tot die conclusie zou komen. Maar zover is het nog niet. De advocaat, die toegevoegd is en niet door de verdachte zelf uitgekozen, probeert af en toe klaarheid te brengen. Tevergeefs. Het verhoor slaat telkens doodlopende zijwegen in. Nossack is een meester in het aanleggen van dwaalsporen. Naïviteit blijkt een machtig wapen tegenover een autoriteit die graag op zijn strepen staat. Via plichtplegingen terzijde van de procesgang komen de deelnemers weer op de hoofdroute om daarna direct weer vast te lopen. De verdachte heeft het recht op Aussageverweigerung maar voert als het even kan het hoogste woord. Als door de magistratuur gevraagd wordt waar zij die avond te voet heengingen komt er een wedervraag: Wieso wohin? Ter precisering volgt: Hatten Sie ein bestimmtes Ziel? Oder eine Richting? De verdachte geeft opening van zaken: Wir gingen einfach geradeaus. De afwikkeling van de zaak blijft om de hete brij heen draaien. Veroordeling of vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. Nossack sluit de roman in stijl af. Vaak onbevredigend maar dit maal een toepasselijke oplossing: de roman eindigt midden in een zin.