Leesimpressies

  • James Surowiecki: The wisdom of crowds

  • Nr. 23 - 2007
  • Omdat ik in één week, onafhankelijk van elkaar, twee aanbevelingen ontving om The wisdom of crowds te lezen, besloot ik dat te doen. Twee weten meer dan één, nietwaar. Toevallig is dat ook de titel waaronder het boek in Nederlandse vertaling is uitgebracht. Surowiecki schrijft op verzoek van hoofdredacteur David Remnick (zie weblog 06, 2007) sinds 2000 business columns voor The New Yorker. Zijn idee voor het boek is daar geboren. Zijn centrale opvatting is dat groepen beter dan individuen in staat zijn om bij besluitvorming tot goede oplossingen te komen. Zelf ben ik geneigd het inzicht van verstandige eenlingen hoog aan te slaan en voelde me geprikkeld kennis te nemen van deze ondermijnende gedachte.


    Surowiecki opent met het voorbeeld van een veemarkt. Alle bezoekers werd gevraagd te raden wat het gewicht van een bepaalde os zou zijn. Het gemiddelde van alle opgaven week één pond af van het ware gewicht. Kennelijk weten vele mensen samen minstens zo goed als een enkele expert wat wijsheid is. De verklaring waarom mensen samen zo dicht in de buurt van de waarheid komen, zoekt Surowiecki in de volgende redenering. Elk afzonderlijk oordeel is gebaseerd op informatie en ruis. Neem je uit al die afzonderlijke oordelen het gemiddelde dan valt de ruis tegen elkaar weg en hou je de informatie over. Dit is echter een weinig overtuigende redenering. Met evenveel recht kun je het omgekeerde beweren: de informatie kun je tegen elkaar wegstrepen en je houdt de ruis over. Desondanks geeft het boek vele voorbeelden waarbij groepen met hun opvatting tot een nauwkeurig oordeel komen. Tegelijkertijd is de auteur iemand die niet kost wat kost met onstuitbare blijmoedigheid de lezer een driestuiverswaarheid in het gezicht slingert met acute blindheid voor tegenbewijzen. Hij zoekt genuanceerd naar de omstandigheden waarin de door hem geconstateerde wetmatigheid wel en niet opgaat. Het eind van het lied is dan ook dat alleen onder bepaalde condities de meerwaarde van een groepsopvatting het wint. Door de strekking van de titel kritisch tegen het licht te houden blijft de lezer aan het eind met een afgezwakte boodschap achter maar die staat dan ook.

    In het nawoord legt Surowiecki uit dat zijn boek niet bedoeld is als een pleidooi voor het oordeel van leken boven deskundigen. Elke expert heeft echter eigen vertekeningen en blinde vlekken. Bovendien is deskundigheid begrensd tot een beperkt domein. Bij Warner Brothers zagen ze niks in de geluidsfilm (“Who the hell wants to hear actors talk?”) en bij Philips zag men niks in de computer. Niemand van ons weet meer dan wij allemaal samen. Is hele specifieke kennis binnen een afgebakend domein vereist dan is de optie voor een deskundige superieur. Je kunt beter je blinde darm laten verwijderen door een ervaren chirurg dan je collega’s vragen deze taak gezamenlijk in de lunchpauze voor hun rekening te nemen.

    De gunstige invloed van het oordeel door groepen is afhankelijk van drie factoren: diversiteit, onafhankelijkheid en een bepaalde mate van decentralisatie. Diversiteit spreekt redelijk voor zich. Een groep bundelt verschillende kennisbronnen en perspectieven. Dat komt natuurlijk alleen uit de verf als de samenstelling veelvormig is. De taxatiefout van Kennedy met de inval in de Varkensbaai, waarbij men dacht het bewind van Castro met 1200 manschappen onder de voet te kunnen lopen, is te herleiden naar een gebrek aan diversiteit onder de mensen die dit voorbereidden. Nooit werd er sceptici gevraagd een oordeel uit te spreken over de kans van slagen. Zij, die zich er mee bezig hielden, geloofden erin en dat was de volledige fundering.

    Met onafhankelijkheid als voorwaarde is niet zozeer isolement bedoeld als wel de vrijheid om zelfstandig tot een beslissing te komen. Groepsprocessen oefenen vaak druk uit richting consensus en dat kan dus ook overeenstemming in een verkeerde richting zijn. Onafhankelijkheid is daarom het best gewaarborgd als de leden van een groep simultaan hun inbreng leveren. Kuddegedrag is dan uitgesloten. Er doen zich nogal eens verschijnselen voor waarbij overdreven effecten ontstaan omdat mensen elkaar klakkeloos navolgen. Modes en beurshypes zijn voorbeelden.

    Decentraliseren is van belang omdat we sinds Adam Smith weten dat specialisatie, waar decentralisatie in essentie op neerkomt, leidt tot hogere productiviteit en doelmatigheid. Het nadeel van decentralisatie kan zijn dat kennis, die op diverse plekken voor handen is, gefragmenteerd blijft. Decentralisatie werkt slechts goed als binnen een systeem elementen om kennis te aggregeren ingebouwd zijn. Surowiecki behandelt op dit punt de roep om een centraal veiligheidsapparaat nadat evaluatie van 11 september geleerd had dat relevante aanwijzingen genegeerd waren. Het probleem was echter niet het bestaan van verschillende diensten maar veel meer dat het proces van aggregatie niet goed op orde was.

    Het aardige van The wisdom of crowds is dat het op een prettig leesbare manier diverse terreinen van menselijk gedrag bestrijkt. Of het nu gaat om het ontstaan en bestrijden van files of om de raadselachtige vraag waarom mensen eigenlijk belasting betalen. Veel vraagstukken waar we als samenleving voor staan, overstijgen het domein waarop onze deskundigen thuis zijn. Groepen kunnen dan tot waardevollere oplossingen komen dan de knapste jongetjes van de klas. Vertaald naar de bruikbaarheid van staatsvormen eindigt Surowiecki als vanzelf met een betoog om een lans te breken voor de kracht van de democratie. Daar geeft de grootste groep de doorslag. Tegelijk valt uit die redenering op te maken dat het gewelddadig opleggen van democratie naar landen met andere tradities een kansloze operatie is.