Leesimpressies

  • James Wood: Hoe fictie werkt

  • Nr. 25 - 2012
  • Eerst groen, dan geel, dan rood, dan bruin. Nee, het is niet een nieuwe roman van Margriet de Moor waarover ik het wil hebben. Het zijn de schakeringen van de bladeren aan de bomen in het Hubertuspark waarop ik vanuit mijn woonkamer het zicht heb. Per dag wisselt het kleurenpalet tot het bladerloze seizoen een definitieve machtsgreep heeft gerealiseerd. Althans voor enkele maanden. Een belangrijke tip in het boek van Wood is het gebruik van details. Het is echter oppassen geblazen, want een te veel aan details valt af te raden. Dat schiet meteen al lekker op. Mocht ik dit stukje over kunnen doen, dan gaat mijn voorkeur uit naar: eerst groen, dan geel, dan bruin. Nu maar hopen dat de dosering op orde is. Daar geeft het werk van Wood weinig houvast. Zo geeft hij meer aanwijzingen die uitnodigen tot recalcitrantie.

    James Wood is hoogleraar literaire kritiek aan Harvard en is criticus bij The New Yorker. Er zijn schrijvers die met minder geloofsbrieven op de achterflap verschijnen. Zo besprak hij recent de nieuwe roman van Tom Wolfe wiens werk hij kwalificeert als conservatieve paranoia. Niet ongeestig typeert hij dat Back to blood over Miami gaat als ‘heavy matal about noise’. In Hoe fictie werkt laat Wood meer de criticus in zich aan het woord dan de hoogleraar. In een wetenschappelijke verhandeling zou je tenminste mogen verwachten dat de auteur een verklaring geeft voor wat hij verstaat over het begrip werkt uit de titel. Bij de werking van fictie veronderstel je dat het gaat om het effect bij anderen bijvoorbeeld lezers of desnoods bij recensenten of bij wetenschappers. Het ligt daarbij voor de hand dat er resultaten van onderzoek aangehaald worden die licht werpen op het effect dat de titel belooft. Niets van dat alles. Het boek biedt louter inzicht in de smaak van Wood. Het ware treffender geweest als Wood zijn boektitel verlengd had met de woorden bij mij. In de inleiding licht Wood toe dat hij zijn boek geschreven heeft om zich te onderscheiden van twee critici die hij bewondert, te weten Viktor Sjklovski en Roland Barthes, maar die helaas een dwaalspoor bewandelen. Het werk van Sjklovski heb ik nooit gelezen en van Barthes heb ik altijd de indruk overgehouden van een warhoofd. Wat de beide collega’s mankeert wordt niet geheel duidelijk.

    Maar Barthes en Sjklovski dachten als schrijvers die vervreemd waren geraakt van het creatieve instinct, en als diefachtige bankiers voelden ze zich keer op keer gedwongen de bron te plunderen waarop hun werk gestut was- de literaire stijl


    Wood wijst er terecht op dat in een roman een punt van aandacht is wiens woord de lezer tot zich neemt. Is een bepaalde kwalificatie toe te rekenen aan de auteur of aan een personage? Uitsluitsel is er te krijgen door te kijken naar de verteltechniek. Is er sprake van de directe rede waarbij een personage aan het woord is of van de indirecte rede waarbij de verteller aan het woord is? Het is de keuze tussen: “moet ik boos worden?” vroeg hij zich af of het alternatief hij vroeg zich af: moest hij boos worden? Wood houdt een pleidooi om in een roman, in navolging van Flaubert, gebruik te maken van de vrije indirecte rede. Dat is een mengvorm tussen directe en indirecte rede. Hij vroeg zich af of hij boos moest worden. Via de vrije indirecte rede krijgt de lezer het perspectief en de taal van het personage aangereikt maar tegelijk zijn de ogen en de taal van de auteur actief. Wood geeft enkele voorbeelden, zowel goede als foute, van de vrije indirecte rede door hedendaagse schrijvers. Jonh Updike doet het in zijn ogen in The terrorist niet goed..Updike beschrijft de gedachtewereld van zijn hoofdpersoon, de 18-jarige moslim Ahmad. De kritiek behelst dat de stem van Updike die van zijn personage overheerst. Volgens het criterium van de vrije indirecte reden zou de stem van die van de auteur en die van het personage samen dienen te vallen. Dat is een overspannen eis als tussen die twee invalshoeken een grote divergentie bestaat in leeftijd, religie, levensstijl enzovoort. Niet alleen het criterium wordt in zo’n geval zwaar op de proef gesteld maar ook de toepassing is in dit voorbeeld weinig overtuigend. Het valt voor mij niet in te zien dat Ahmad niet zou denken wat Updike hem veronderstelt te denken.
    Een bezwaar tegen de aanpak van Wood is dat hij literatuur vooral ontleedt op zinsniveau of hooguit op het niveau van een passage. Een roman is een bouwwerk waarbij de overtuigingskracht mede afhangt van het totaalconstruct. Woorden en zinnen zijn de stenen maar de aanblik van het gebouw is doorslaggevend.
    Als we op zinsniveau over Hoe fictie werkt een uitspraak willen doen dan springen er vele pretentieuze boutades in het oog. Een enkel voorbeeld. “Op een bepaalde manier is zelfs gecompliceerd proza werkelijk heel eenvoudig- door die mathematische beslistheid waardoor van een perfecte zin niet een oneindig aantal variaties kan voorkomen, en deze niet zomaar kan worden uitgebreid zonder esthetische schade aan te brengen: de perfectie ervan is de oplossing van zijn eigen raadsel; het kon niet beter worden gedaan.
    Met de wijsheid van achteraf zou ik zeggen: eerst groen dan bruin.