Leesimpressies

  • Jerome Heldring: Dezer dagen

  • Nr. 1 - 2013
  • De Nederlandse politiek houdt zich bezig met de persoonlijke reclamezuil van een staatssecretaris en vooral met het doorvragen over de financiering daarvan. Tussen Roermond en Weert ligt het koninkrijk van Joske en Franske. In het noorden grenst het aan het hertogdom van ijzeren Geert waar pitbull Dionneke de buitenlanders op afstand blaft. Waar is de aandacht voor de wereldpolitiek? De generatie van mijn ouders kreeg door mensen als G.B.J. Hiltermann de weg gewezen in de toestand van de wereld. Het was de gedragen toon waarop de berichten uit de buitenlandse pers werden naverteld die voor mij een smet op de zondag wierpen. De New York Times meldde dat…, Le Monde heeft terecht…, zoals opgemerkt in de Frankfurter Allgemeine, de Neue Zuricher beweerde immers ... Je kon op zondag zelfs verlangen naar een wedstrijd tussen NAC en NEC. Jerome Heldring, lees J.K. Heldring, behoorde tot de generatie van mijn ouders, behoorde tot de generatie van G.B.J. Hiltermann. Voor mij een aanleiding om hem niet te lezen. Het was het tijdperk van de generatiekloof, vaak een kloofje. Later ging ik dat incidenteel toch doen zoals dat met veel zaken gebeurde die tot het domein van mijn ouders behoorden.

    Meer dan een halve eeuw schreef Heldring, onder dezelfde titel als deze bundeling, columns voor NRC Handelsblad. In het voorjaar van 2012 vond hij het genoeg geweest. Voor de lezers viel een vertrouwde inspirator weg. Zowel in zijn onderwerpkeuze als in zijn standpuntbepaling bleef Heldring door de jaren heen herkenbaar. In zijn commentaar bleef hij, zorgvuldig formulerend, gereserveerd. Vaak leidt hij een opvatting in vanuit het bescheiden vertrekpunt dat hij niet als een deskundige geldt. Wat daarna komt is verteerbaar. De internationale politiek en de democratie zijn onderwerpen die hem na aan het hart liggen. Zijn levenshouding is die van de scepticus. Natuurlijk verandert de wereld voortdurend maar veel goeds valt daar uiteindelijk niet van te verwachten. Realpolitik bepaalt de grondtoon waarmee Heldring de wereld beschouwt. Hij ziet zichzelf als een conservatief. Bij hem staat dat begrip tegenover revolutionair en niet tegenover progressief. Democratie is waarschijnlijk de minst slechte regeringsvorm maar allerminst zaligmakend. Als hij Wilders citeert, die zich bij gelegenheid afficheert als democraat in hart en nieren, merkt Heldring fijntjes op dat een manco van de democratie juist is dat zij figuren als Wilders voortbrengt.

    Dat democratie een bestuurssysteem is dat verschillen in de samenleving oproept, soms zelfs versterkt, maar dat instellingen maakt, en moet maken, om daarmee te leven


    De affiniteit met het conservatisme is te herleiden tot de overtuiging dat die stroming zich het best de hardnekkigheid van het menselijk tekort realiseert. Wie dat over het hoofd ziet, is gedoemd om hersenschimmen na te jagen. Heldring haalt Anatole France aan die heeft opgemerkt dat er nooit zoveel mensen zijn uitgemoord als uit naam van het principe dat de mens goed is. De columns van Heldring zijn altijd een opstapje om zich te laven aan zijn eruditie. Hij citeert er lustig op los. Zijn bronnen gaan vaak terug tot boeken die lang geleden verschenen. Een blik over de landsgrenzen is evident. Hij doorspekt zijn betoog gretig met Franse uitdrukkingen zoals tegenwoordig hors concours is. Tout court en à tort et à travers gaat hij daarmee door. Ook is Heldring royaal in het putten uit de eigen kennissenkring. Een klassieke courantier, een bevriende diplomaat en een emeritus havenbaron kunnen sprekend hun opwachting maken. Een studie rechten in Leiden strekt tot aanbeveling.
    Een onderwerp dat frequent in de kolommen opduikt is religie. Heldring is zelf niet gelovig maar gelooft wel in de maatschappelijke betekenis van religie. Geloof is niet waar maar wel nuttig. Heldring lijdt aan het Knevelsyndroom. In conservatieve kring valt nogal eens de gedachte te beluisteren dat er zonder geloof geen respect is voor normen en waarden. Zonder geloof is men van God los en is alles geoorloofd. Alsof ethisch besef een godsdienstig privilege is. Mij is geen sluitend bewijs bekend dat normen en waarden bij gelovigen in betere handen zijn dan bij niet-gelovigen. Het omgekeerde is trouwens even onzinnig. Ook in zijn waardering voor de opbrengst van de jaren zestig valt de eenzijdigheid in het standpunt van Heldring op. Alleen maar warhoofdigheid en onverdraagzaamheid om niet te zeggen terreur, luidt zijn standpunt. Hebben de jaren zestig niet ook afgerekend met een onverdraaglijke knipmessencultuur in de publieke omgangsvormen en de weg bereid voor de emancipatie van werknemers, vrouwen en homoseksuelen. Men kan een maatschappelijke omwenteling niet uitsluitend beoordelen op de excessen.
    Het lezen van de columns is een hoopvol vooruitzicht. Wat fantastisch dat een man die de negentig is gepasseerd onverminderd een brede belangstelling heeft voor de wereld om hem heen en daar op een manier verslag van uitbrengt waar vele anderen kennis van willen nemen. Wat een gemis voor NRC Handelsblad. De liefhebbers kunnen gelukkig uitzien naar een binnenkort te verschijnen boek bij uitgeverij Van Oorschot waarin Heldring de discussie aangaat met zijn collega Andre Spoor. De titel doet een hoge gooi vermoeden: Onze eeuw. Ik zal tot de lezers behoren.