Leesimpressies

  • Jonathan Littell: De welwillenden

  • Nr. 17 - 2013
  • Mijn aversie tegen Duitsland en de Duitsers eindigde op een zwoele zomeravond in Hamburg. Het is inmiddels 25 jaar geleden en begon met het balbezit voor de jongste van de gebroeders Koeman en bereikte een esthetisch hoogtepunt met een slim balletje van Jan Wouters, de moeder van alle steekpasses, waarna de goddelijke Marco plichtsbewust als executeur testamentair fungeerde. Eindelijk was de oorlog die ik nooit had meegemaakt voorbij. De afkeer ging richting Nazi’s, niet naar de Duitsers. Het is tijd om vooruit te kijken. Ook aan de reeks geziene films en gelezen boeken over die periode moet maar eens een einde komen. Er is een kleine selectie gemaakt om het af te leren. De vuistdikke roman De welwillenden van Jonathan Littell heeft de schifting overleefd. Dit werk van een jonge schrijver heeft veel opzien gebaard door het ongeremde perspectief van een SS-officier van waaruit het is geschreven. Slechtheid van binnenuit bestudeerd kan een interessante aanvulling vormen op de gangbare beeldvorming. Met name de portrettering van het Duitse slachtofferschap in de Duitse cultuur is al te vaak aan bod gekomen. In de meidagen decennia lang Die Brücke vertonen op de Duitse publieke televisie, dat weten we nu wel. Overigens is Littell geen Duitser maar een Fransman, van ruim naoorlogse signatuur.

    De roman bestaat uit het vertelperspectief van de jurist Max Aue. Hij schrijft na de oorlog zijn herinneringen op over wat hij heeft meegemaakt en hoe hij zijn vaderland heeft gediend. Hij komt uit een getroebleerd gezin. Hij heeft een hekel aan zijn moeder en zijn vader verliet het gezin toen de kinderen nog klein waren. Max heeft een tweelingzus met wie hij een incestueuze verhouding heeft. Zij is de reden dat hij nooit een blijvende relatie met een ander aangaat. Er zijn vluchtige affaires met mannen. Homoseksualiteit wordt volgens de officiële partijlijn veroordeeld maar officieus volop gepraktiseerd. In het begin van de oorlog vertoeft Aue in Oost-Europa aan of net achter het front. De gruweldaden, willekeurige executies van joden, worden gedetailleerd beschreven. De beschrijvingen zijn zakelijk en laten nauwelijks ruimte voor emotie. Het lijkt er soms op dat men genoegen beleeft aan de uitoefening van het geweld. Er werden foto’s gemaakt van de executies en vervolgens geruild tegen tabak of opgehangen aan de muur zodat afdrukken bijbesteld konden worden.

    Ik moet nog vermelden dat ik geregeld de executies bijwoonde, niemand eiste dat, ik ging er uit eigen beweging heen. Zelf schoot ik niet, maar ik bestudeerde de schutters, vooral de officieren


    Aue raakt ernstig gewond en ontsnapt maar net aan de dood. Zijn volgende standplaats wordt Berlijn. Daar komt hij in contact met prominente Nazi’s als Himmler, Speer en Eichmann. Dat vind ik de meest interessante fase van het boek. De interne competentiestrijd tussen de verschillende onderdelen van het regime neemt grote vormen aan. Aue heeft als taak adviezen te geven hoe de arbeidsproductiviteit van de gevangenen omhoog kan. Wat is de minimale voedselvoorraad die gevangen in leven houdt en in staat stelt om in de fabrieken productief te zijn. Hij maakt dienstreizen naar de concentratiekampen. Höss, kampcommandant van Auschwitz, vertelt trots over zijn werkplek. Sinds kort staat het prikkeldraad onder stroom en bij een volgend bezoek is er weer een noviteit. De rails zijn doorgetrokken en wagons rijden nu door tot vlak bij de gaskamers. Dat is handig voor wat heet de demografische herordeningen.
    Littell sluit nauwgezet aan bij historische gegevens maar toch is er twijfel over de waarheidsgetrouwheid van Aue’s verslag. Voortdurend is er aandacht voor zijn dromen. Wat is feit en wat is fictie? Soms is het evident dat hij dingen ziet die er niet zijn zoals de joodse gebedsriemen die Hitler zou dragen. Andere gebeurtenissen worden als werkelijkheid gepresenteerd maar zonder overtuiging. Overal duiken twee rechercheurs op die Aue beschuldigen van de moord op zijn moeder. Vooral aan hert eind van het boek als Duitsland in staat van ontbinding verkeert, is het uiterst onwaarschijnlijk dat twee dienstkloppers, die al lang van hun onderzoektaak ontheven zijn, overal in het rijk hun opwachting maken waar Aue op dat moment toevallig is. Aue richt zich in het begin van het boek rechtstreeks tot de lezer waardoor een bedachte constructie extra nadruk krijgt. Een boek is bedoeld voor de lezer en elke opmerking in die richting is per definitie redundant. Het boek is gekunsteld. Aue weigert een beschrijving te geven van hoe Auschwitz eruit ziet omdat die beelden, zo licht hij toe, na de oorlog als overbekend beschouwd mogen worden. Volgens die redenering had de roman niet geschreven hoeven worden, want we wisten immers al hoe de Tweede Wereldoorlog afliep.
    Wat zich moeilijk laat verdragen met het daderschap van Aue is zijn kokette leefstijl. Luisteren naar Mozart, het lezen van Flaubert, logeren en dineren in Hotel Adlon, schermen als vrijetijdsbesteding en zo gaat het maar door. De hoofdstuktitels zijn ontleend aan dansvormen om nog een voorbeeld te noemen. Bovendien is het boek veel te dik. Voor de lezer is het een opluchting dat het duizendjarige Rijk na twaalf jaar voorbij was.