Leesimpressies

  • Julian Barnes: Niets te vrezen

  • Nr. 12 - 2009
  • De uitzichtloosheid van perfectie. Wat te denken van de volgende situatie. Je eet drie keer per dag je favoriete maaltijd, de seks is eindeloos en op de golfbaan sla je uitsluitend holes in one. En dat elke dag opnieuw tot in de eeuwigheid. Dit hemelse bestaan schetst Julian Barnes in het slothoofdstuk van A history of the world in 10½ chapters. Na een paar honderd jaar zoekt iedereen een uitweg om de hemel te verlaten. Alles liever dan deze monotone volmaaktheid. De dood en wat erna komt vormt een raadsel en dus een intrigerend vraagstuk. Ook wat eraan voorafgaat, de toegangspoort van het sterven en de vraag naar het bestaan van een God, is iets wat Barnes bezig houdt. Dat heeft hij tot onderwerp van zijn laatste boek gemaakt: Niets te vrezen.

    Op de eerste bladzij schept Barnes al klaarheid over zijn verhouding met God. “Ik geloof niet in God, maar ik mis hem.” Zijn drie jaar oudere broer de filosoof Jonathan Barnes vindt deze uitspraak desgevraagd klef. Behalve over de dood en de zin van het bestaan heeft Barnes bovendien een autobiografie geschreven al weerspreekt hij dat zelf. Veel komt de lezer te weten over het gezin waarin de twee broers opgroeiden. Het was een merkwaardig gezin bestaande uit een bazige moeder die atheïste was en een volgzame agnost als vader. In de jaren negentig stierven zij op respectabele leeftijd. De broers blijken verschillende herinneringen aan dat gezin met zich mee te dragen. Hun beschrijvingen lopen op veel punten uiteen. Dat voert mogelijk allemaal terug op de filatelistenbreuk uit hun jeugd waarbij Jonathan koos voor de postzegels van het Britse rijk en Julian voor de rest van de wereld. Hun moeder typeert haar eigen houding tegenover de zonen als volgt. “Mijn ene zoon schrijft boeken die ik wel kan lezen maar niet begrijp, en de ander boeken die ik niet kan lezen maar wel begrijp.”


    Wie verlegen zit om aansprekende citaten over de dood kan uitstekend bij Barnes terecht


    Hoewel Niets te vrezen naar genre moeilijk valt te rubriceren, lijkt het geschreven vanuit een sterke innerlijke drang. Over de eindigheid van het leven moest Barnes het nodige kwijt alsof de dood hem op de hielen zit. Dat gebeurt zonder hoofdstukindeling of andere vorm van structurering. De sneltrein van de dood jaagt ononderbroken voort. Onderweg raast hij voorbij stations die hij in andere boeken heeft bezocht. Barnes is een hartstochtelijke francofiel zoals hij al eerder in romans, verhalen en beschouwingen heeft geëtaleerd. Die passie is van huis uit meegekregen. Zijn vader was docent Frans. Dit keer is er veel aandacht voor Jules Renard, een schrijver met een bijzondere betrekking tot de dood. Zijn vader pleegt zelfmoord en zijn moeder komt door een ongeluk om het leven of was dat ook zelfmoord? Verder verliest Renard een broer en zelf sterft de burgemeester annex schrijver op 46-jarige leeftijd. Barnes is een liefhebber van zijn beroemdste werk Peenhaar evenals van zijn dagboeken. Hij beschouwt Renard als een niet-bloedverwant en diens ouders, die dertig jaar lang niet met elkaar spraken, als een theatrale versie van zijn eigen ouders. Aan het eind van het boek bezoekt hij het graf van Renard op het platteland. Dat vormt de opmaat naar het einde van zijn schrijftocht. Hoewel het dorpsplein inmiddels naar Renard is vernoemd, maakt het graf een verwaarloosde indruk. Dat doet Barnes mijmeren over de vraag wie wanneer zijn laatste lezer zal zijn en zijn laatste grafbezoeker. Voor het zover is wil hij graag alles over de dood op een rijtje hebben. Als een arts hem de fatale aankondiging doet, zal zijn grootste zorg zijn ‘hoe lang heb ik nog’. Daarmee bedoelt hij niet weken, maanden of jaren maar bladzijden om te schrijven. Dat is de tijdeenheid voor een schrijver.

    Barnes uit zijn bewondering voor kunstenaars door aandacht te hebben voor juist hun kleine geschiedenissen. Hij werd beroemd met zijn roman over de papegaai van Flaubert en zijn meest recente roman, Arthur and George, werpt de schijnwerper op een gebeurtenis uit het begin van de loopbaan van Arthur Conan Doyle. In The New York Review of Books van 12 maart schrijft hij over de schooltijd van George Orwell. Onderwerpen in de marge oefenen een grote aantrekkingskracht uit.

    Liefhebbers van Barnes zullen veel vertrouwde thema’s aantreffen, altijd prachtig onder woorden gebracht. Daarnaast werpt het boek licht op dit bijzondere schrijverschap. Bij aanvang nam hij zich voor dat in zijn fictie dromen en weer taboe zouden zijn. Vergankelijkheid is een onderwerp met vele gezichten. In de bundel The lemon table komt het onderwerp oud zijn of worden in alle verhalen terug. A short history of hairdressing is een prachtig voorbeeld. We zien hoe iemand in drie levensfases het bezoek aan de kapper heel verschillend ondergaat, waarbij de kapsalon is mee geëvolueerd. In een ander verhaal met de oudere Toergenjev in een hoofdrol komt een hoofdstuk voor gewijd aan een droomreis. De beschrijving aan het begin van dit stukje is eveneens ontleend aan een droom. Barnes heeft zijn voornemen om dromen te verbannen niet nageleefd. Maar misschien is mijn gezeur hierover misplaatst. Barnes haalt zelf Sibelius aan die ooit zei: “Houd in gedachten dat nergens in Europa een stad is met een standbeeld van een recensent.”

Lijstjes

Deze auteur komt voor in de lijstjes: