Leesimpressies

  • Karel Čapek: Een doodgewoon leven

  • Nr. 31 - 2009
  • De herontdekking van het werk van de Hongaar Sandor Marai werd een groot succes bij het Nederlandse lezerspubliek. Vanaf 2000 verscheen de ene vertaling na de andere. Bij uitgeverij Wereldbibliotheek is ongetwijfeld de vraag opgeworpen: kent iemand nog een andere dode Midden-Europeaan die we kunnen afstoffen? Toen verscheen Een doodgewoon leven van de Tsjech Karel Čapek. Ik had nog nooit van de man gehoord. Mijn fout. Čapek leefde van 1890 tot 1938 en werd in de jaren dertig genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs. De term robot is door hem in een toneelstuk wereldkundig gemaakt. Ook in Amerika is zijn naam gevestigd blijkens de aanbevelingen op de achterflap van Kurt Vonnegut en Arthur Miller. Het prachtige omslag van het boek deed de rest. Ik wilde weten of hier opnieuw sprake is van een herontdekte parel of van het makkelijk meeliften op het commercieel succes van Marai. In het gunstige geval kunnen we de volgende kwestie agenderen: is Bulgarije klaar voor een revival van Vestdijk?

    De roman begint met een ontmoeting tussen een arts en de heer Popel. Onderwerp van gesprek is het nagelaten manuscript van een kennis van Popel. Vlak voor zijn dood heeft hij, het hele boek blijft de hoofdpersoon naamloos, zijn leven op schrift gesteld. Het is de apologie van een doodgewoon leven geworden als tegenhanger voor al die biografieën van beroemdheden. Een saluut voor elckerlyc.


    Achter elk doodgewoon leven gaat een vulkaan aan drijfveren schuil


    De hoofdpersoon begint met het ophalen van zijn jeugdherinneringen. Spelend als enig kind in de werkplaats van zijn vader, de nijvere meubelmaker. Gelukkig tussen het warme zaagsel en de opgerolde houtkrullen. Er is de aandacht van zijn overbezorgde moeder maar boven op de schouders van de knecht Franc is het leven bijna ideaal. Het leven in het dorp is vertrouwd te midden van de diverse ambachtslieden. De roman speelt in de tijd dat mensen nog geen projectcoördinator werden maar schilder, pottenbakker of steenhouwer. Dan volgt het gymnasium. De hoofdpersoon doet zijn best en haalt goede cijfers. De idylle van thuis wordt niet meer geëvenaard. School is niet het leven zelf maar de voorbereiding op een later leven. Het visioen van het leraarschap lonkt. De hoofdpersoon schrijft zich in aan de letterenfaculteit. De studie wordt geen succes. In de grote stad ontspoort de hoofdpersoon. Het is een periode van drinken en dichten. Dat kan zo niet duren. Uit de band springen is niet meer dan een bevlieging. Terug naar het rechte spoor. Van jongs af aan was er de fascinatie voor locomotieven en rails. Hij solliciteert bij de spoorwegen en wordt aangenomen als kandidaat-beambte op een station in Praag met als taak het narekenen van de doorvoerrechten. Hier voelt hij zich op zijn gemak. Een station belichaamt net als de werkplaats vroeger thuis een eigen microkosmos. Nu werken op een stations vooral tourniquetten maar toen waren er een stationschef, een portier, een telegrafist, een lampenist, een magazijnbediende, een wisselwachter enz. Na een ziekte volgt overplaatsing naar een station in de bergen. Twee treinen per dag en achter de stootbok begint het universum. De hoofdpersoon trouwt met de dochter van een stationschef en stijgt op de maatschappelijke ladder. Eenmaal zelf stationschef zorgt hij dat zijn domein perfect op orde is. Hij speelt als een kind stationnetje maar tegelijk is het een leven bestuurd door plichten. Zijn huwelijk blijft kinderloos.

    Sterk aan de roman van Čapek is dat de voortkabbelende gewoonheid geleidelijk scheuren vertoont. Achter de façade van onopvallendheid begint het te pruttelen en te rommelen. Er volgt een genadeloos gewetensonderzoek. Natuurlijk heeft de hoofdpersoon uit plichtsbesef zijn best gedaan maar daarnaast was er de eerzucht om hogerop te komen. Ellebogen waren hem niet vreemd. Hij heeft veel van zijn vrouw gehouden maar er waren ook momenten dat hij haar haatte en wat aan wilde doen. De gewoonheid van het leven is bedrieglijk. Er zijn voortdurend verschillende drijfveren die strijden om de voorrang, meer of minder nobel. Al die drijfveren worden bijeengehouden door een ik dat constant blijft, nu eens de een dan weer de ander ruimte latend om het heft in handen te nemen. In een ieder schuilen verschillende levens waarbij de omstandigheden en het toeval bepalen wie wanneer komt boven drijven. Doodgewoon is een dooddoener. Zo blijkt het manuscript van een anonieme staatsambtenaar in ruste meer dan een formeel verzoek tot overplaatsing naar gene zijde. Het is een openhartig zelfonderzoek, het opmaken van de balans.

    Ongeveer in dezelfde periode verscheen er een tweede boek van Čapek in vertaling. De stichting Voetnoot publiceerde Prenten van Holland in de reeks Moldaviet. Daarin geeft hij zijn indrukken van ons land, opgedaan tijdens het PEN-congres in Den Haag van 1931. Opgesierd met eigen tekeningen geeft Čapek zijn toeristische indrukken weer. Veel molens en grachten. De vrouwelijke properheid valt hem op waarbij hij het volgende opmerkt. “Ik wil niet zeggen dat hier de vrouw de broek aanheeft; maar zonder twijfel heeft hier de stofdoek het voor het zeggen.” Met plezier kijk ik uit naar een eventuele volgende roman van Karel Čapek. Zijn werk rechtvaardigt aandacht op eigen kracht en niet louter als onderdeel van een trend. Dat de Bulgaren mogen genieten van Terug tot Ina Damman.