Leesimpressies

  • Koen Peeters: Kamer in Oostende

  • Nr. 34 - 2019
  • Het is overal wel eens wat. Het kost mij veel moeite de familieleden over te halen om vanuit Zeeuws-Vlaanderen een bezoek te brengen aan Oostende. De vergane glorie is te ver doorgevoerd zo luidt de heersende mening. Mij spreekt dat juist aan. Is het niet heerlijk dat je voor afbladderende grandeur niet helemaal naar Venetië of Petersburg hoeft. Gebreken dicht bij huis mogen best een streepje voor hebben. Wat een ratjetoe aan bouwstijlen. Waar vind je zo’n onwillige horeca als nabij de Koninklijke Gaanderijen, even kil als de Atlantikwall iets ten zuiden van de stad. Er is overigens best wat voor te zeggen om open kaart te spelen als je een hekel aan service hebt. En dan is voetbalclub KV Oostende ook nog in handen geraakt van de notoire gladjanus Marc Coucke. Na een paar jaar vertrok hij weer op zoek naar grotere uitdagingen. Van Leopoldpark in Oostende naar Astridpark in Brussel. KV Oostende staat nu boven Anderlecht op de ranglijst. In Oostende komt uiteindelijk alles op zijn pootjes terecht. De stad Oostende oefent op schrijver Koen Peeters een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Hij maakte een boek gebaseerd op zijn omzwervingen door de stad veelal in gezelschap van zijn vriend de schilder Koen Broucke. Schrijver Koen en schilder Koen gingen samen op onderzoek uit naar de ziel van de stad. Tot in de kleine uurtjes.

    Het boek van Peeters, vanwege dichterlijke vrijheden spreekt hij zelf over een roman, begint op het station. Je arriveert direct aan de haven van wat eens een belangrijke vissersplaats was. Je ziet en ruikt de zee. Het centrum van de stad is op een boogscheut afstand, een erkende afstandsmaat in Vlaanderen. Peeters vertelt over de ontmoeting per toeval met Koen Broucke. Er openbaart zich snel een gevoel van verwantschap. Ze duiken in de geschiedenis van de stad met een voorliefde voor de levens van beroemde kunstenaars, schilders en schrijvers en een enkele architect. Naast de inheemse kunstenaars zijn er de grootheden van elders die de stad aandeden. Marcel Proust kwam er als kleine jongen samen met zijn grootvader. Vladimir Nabokov en James Joyce bezochten de stad. Joseph Roth ontdekte dat je in Oostende net zo goed als elders arm kon zijn zolang Stefan Zweig maar een handje toestak.
    Oostende bracht schilders voort als James Ensor en Leon Spilliaert. Aan hun zelfportretten is het eigen karakter van hun werk af te zien. Ensor maakte het frivole ‘Zelfportret met bloemenhoed’ en Spilliaert het zwaarmoedige ‘Zelfportret met spiegel’. Er zijn de nodige sporen van het tweetal terug te vinden. Ensor heeft een eigen museum in de stad. Over de bekende maskers in zijn werk wordt opgemerkt dat maskers niets anders dan een zelfportret zijn.

    Onderweg naar het Ensorhuis hebben we het erover dat kunstenaars in hun werk hun grootste geheimen tonen en tegelijk verbergen. Ze zijn niet bij machte zichzelf uit te leggen, of ze weigeren dat gewoon


    Voor de beide Koenen gaan de uitsapjes in Oostende steeds meer als tegenwicht fungeren voor hun dagelijkse leven. Broucke komt vanaf Antwerpen en dient af te rekenen met het verlies van Norine die hun relatie verbrak. Peeters komt vanaf Brussel en ervaart steeds minder genoegen aan zijn drukke baan. Peeters kent Oostende al doordat het de stad van zijn schoonfamilie is. De zoektocht boort nieuwe dimensies aan.
    Het boek gaat nergens naar toe. Het tweetal dompelt zich onder in het moment. Zij gaan op café, wandelen over de promenade, eten een garnaalkroket, kopen oude prentbriefkaarten, lezen de tijd op het bloemenuurwerk, kijken naar de zee, mengen zich onder Brels nuttelozen van de nacht, bladeren in het aanbod van boekhandel Corman enz enz.
    De levendigheid van Kamer in Oostende gedijt bij de vele ontmoetingen met mensen die een snipper van de geschiedenis doen oplichten. En dan verschijnt daar opeens weer Eric de Kuyper in het straatbeeld de man die zelf in menig boek zijn liefde voor de stad tot uitdrukking heeft gebracht. Een andere schrijver, de jonge Hugo Claus, ontbolsterde er.
    De expeditie heeft een paar jaar geduurd. Gezamenlijk twee dagen per maand achtereen door de stad slenteren inclusief een overnachting op een kamer in een hotel van wisselende keuze. De reis neemt 271 bladzijden in beslag. Hoe brei je daar een eind aan voordat de lezer verzucht het is mooi geweest. Dat doe je na 34 hoofdstukken en na 34 bezoekjes. Laat dat getal nu precies overeenkomen met het aantal kamers in het Park Hotel waar een plattegrond van boven water wordt getoverd. In dat hotel zwaaide Gaston Duribreux de scepter, een vermaarde chroniqueur van het leven in Oostende in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. De lezer is getuige hoe de twee bejaarde zonen van de schrijver de nalatenschap van pa tot een keurig einde proberen te brengen. Met weemoed neemt de lezer afscheid van de impressies. Er zit niets anders op dan met eigen ogen het markante gebouw Casino Kursaal in het vizier te nemen. Voor de Koenen is het afscheid niet definitief. Broucke heeft een nieuw huis in Wallonië gekocht maar een nieuwe liefde verzekert de band met de kustplaats. Na het opzeggen van zijn baan en het overlijden van zijn schoonouders heeft Peeters met zijn vrouw een appartement in Oostende gekocht. Vanuit de slaapkamer is er zicht op het Park Hotel. Het is de ideale manier om de publicatie van een stemmig boek te bezegelen.