Leesimpressies

  • Kristine Bilkau: De gelukkigen

  • Nr. 28 - 2016
  • De zwaarste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog is achter de rug. Het is niet nodig de indicatoren te benoemen waaruit dat blijkt. Dat zal de regering volgende week op Prinsjesdag voor ons doen. De crisis heeft ook een neerslag gekregen in literatuur. Vooral het najagen van eigenbelang door vertegenwoordigers van financiële instellingen vormt een onderwerp waar veel pijlen op zijn afgevuurd. Op deze site is met gemak een handvol boeken te vinden waarbij dit verschijnsel aan de orde komt. Dan gaat het om de vermeende daders van de crisis. Hoe zit het met de slachtoffers? Is het effect van de crisis op het leven van gewone mensen in gelijke mate een inspiratiebron voor schrijvers? Dat lijkt veel minder het geval. De roman van de Duitse Kristine Bilkau poogt deze leemte te vullen. Zij schets het leven van een jong gezin dat in het bestaan bedreigd wordt door de implicaties van de economische malaise. Minder sexy en spectaculair dan de sores aan de bovenkant maar daarom niet minder heftig. Onzekerheid knaagt aan het bestaan. Het bederf sluipt langzaam binnen. Huiselijk geluk is niet langer vanzelfsprekend. Het arsenaal aan middelen om er bovenop te komen is beperkt. Mensen aan de onderkant kunnen zichzelf geen bonus toekennen.

    Isabell is na de bevalling van zoon Matti net weer begonnen als celliste bij een musicalorkest. Het is een klein ensemble met vijftien leden. Voor de geboorte van Matti waren ze nog met twintig. Georg is redacteur bij een krant. Het tweetal geniet van het bestaan. Zij gaan op in de zorg voor hun zoon en leven in betrekkelijke luxe. De boodschappen komen uit een delicatessenwinkel en liever niet uit de supermarkt. Ze werken op verschillende tijden en wisselen elkaar af wat de zorgtaken betreft. De hemel is strak blauw. Kijk, daar verschijnt de sushikoerier. De voorspoed is relatief. De economische recessie werpt een schaduw vooruit. Isabell krijgt bij het spelen last van een trillende hand. Het ongemak slaat toe juist op het moment dat van haar een solopartij gevraagd wordt. Ze verbergt het probleem voor haar omgeving zelfs voor Georg. Op internet zoekt ze naar verklaringen en oplossingen. Op de krant doen geruchten over inkrimping de ronde. Dan belandt Isabell in de ziektewet en raakt Georg zijn baan kwijt. De idylle is voorbij. Georg gaat gebukt onder de onzekerheid terwijl Isabell de noodsituatie lang ontkent. Georg wil van de stad naar het platteland verhuizen waar het leven goedkoper is. Dat is Isabell een gruwel want zij is zeer gehecht aan hun huurhuis waar zij ooit met haar moeder woonde. De echtelieden trekken zich in de eigen belevingswereld terug. De stokpaardjes en uitdrukkingen van de ander worden een bron van ergernis. Onderlinge steun blijft uit. Vervreemding dreigt. Bilkau accentueert de afstand door de twee afzonderlijk aan het woord te laten. Zij wonen voortaan in hun particuliere gedachten. Als Matti toe is aan het kinderdagverblijf is hij de enige in het gezin met een leven buitenshuis. De tijd van biohoning met lavendelbloesem, frambozenazijn en kastanjepasta is voorbij.

    Samen falen is erger dan alleen. Wie alleen is, wordt niet gadegeslagen, hoeft de kalmte niet te bewaren, hoeft zichzelf niet de oorzaak van het eerste het beste probleem te voelen, en de vraag wie het bij het rechte eind heeft en wie niet, is ook niet meer van belang


    De moeder van Georg overlijdt onverwacht in haar slaap. Behalve verdriet veroorzaakt dit een nieuwe zorg. Is het verantwoord de erfenis te aanvaarden of levert dat meer schulden dan opbrengsten op? De ouders van Georg hebben vroeger een winkel in elektronica uitgebaat. Daar zijn nog veel restanten van aanwezig. Isabell die nooit goed met haar schoonmoeder overweg kon, laat zich nu van een praktische kant zien. Het stel herwint het vertrouwen in elkaar. Samen kunnen zij moeilijkheden overwinnen.
    Bilkau laat subtiel de breekbaarheid van het bestaan zien. Een scheurtje kan in korte tijd een grote kloof worden. De redding komt niet van wondermiddelen. Wat het plezier in het lezen ondermijnt is de overdaad aan houterige zinnen. Hier lijkt het vertaalduo meer debet aan dan de auteur. Er staan volop germanismen in de tekst. Wat moeten we met woorden als welbehaaglijk en eigengerechtig. Op bladzijde 189 staat met een interval van twee regels zowel überhaupt als sowieso. De Duitse taal heeft er een handje van om voorzetsel te koppelen aan werkwoorden. In het Nederlands gebeurt dat eveneens alleen gebruiken wij dan soms net andere voorzetsels. Laat het herwerken en inoefenen maar aan Duitsers over.
    Uitgesproken lelijk is het om twee keer achtereen hetzelfde woord te gebruiken. Dan staat er “…en past zich aan aan het rustige tempo van het adagio.” Op bladzijde 114 komen we tegen om om en op bladzijde 151 die die. Degene die bij uitgeverij Cossee deze vertaling heeft goedgekeurd, verkeerde in diepe slaap. De kopers van deze roman verdienen het hun geld terug te krijgen.