Leesimpressies

  • Kwame Anthony Appiah: Kosmopolitisme

  • Nr. 14 - 2007
  • De filosoof Appiah werd geboren in Londen en woont nu in de Verenigde Staten waar hij werkzaam is op Princeton. Zijn hart ligt in Afrika en vooral in Kumasi, de tweede stad van Ghana. Zijn vader, afstammeling van het Ashanti volk, studeerde in Engeland en trouwde een Engelse vrouw. Terug in Ghana zou hij vooraanstaande posities in de samenleving aldaar bekleden. Zijn zoon kreeg belangstelling voor verschillende culturen met de paplepel ingegoten. In Kumasi deed je boodschappen bij een winkel gedreven door een Indiër of haalde je rijst bij Iraanse broers of kwam over de vloer bij Libanese en Syrische gezinnen. Ook kwam er wel eens een Europeaan langs: de Griekse architect, de Hongaarse kunstenaar, de Ierse arts, de Schotse ingenieur of een Engelse advocaat. Bij sommige mensen komt het kosmopolitisme aan huis.


    Mijn eerste kennismaking met Appiah vond plaats via een interview. Hij verkondigde het standpunt dat er geen wezenlijk verschil tussen rassen bestaat. Een standpunt dat indruist tegen wat je met het blote oog kunt zien maar daardoor mogelijk des te interessanter. Identiteit is een vooraanstaand thema in zijn werk. In zijn laatste boek staat kosmopolitisme centraal. Hij gaf het boek als ondertitel “ethiek in een wereld van vreemden” mee. Appiah begint zijn beschouwing met een vergelijking tussen de huidige tijd en de periode dat mensen binnen stamverband leefden. Iemand die nu op een gewone dag over Fifth Avenue in New York loopt, ziet meer vreemde gezichten dan de prehistorische mens in zijn hele leven. Wat betekent het feit dat we nu als een soort wereldstam samen leven voor de manier waarop we met elkaar omgaan? Wat dient onze houding tot al die vreemde gezichten te zijn? Appiah begint met het kiezen van een begrip waaronder hij dit vraagstuk kan bespreken. Hij kiest voor de term kosmopolitisme en niet voor een macro-economische term als globalisering of een vaag begrip als multiculturalisme. Kosmopolitisme, dat letterlijk burger van de kosmos betekent, bestaat voor hem uit twee componenten. Het eerste noemt hij universele zorg dat wil zeggen dat het ons aangaat hoe het een ander vergaat. Armoede elders kan niet schouderophalend worden afgedaan als pech gehad. De tweede component bestaat uit het respect voor het verschil dat wil zeggen de acceptatie dat anderen anders kunnen en mogen zijn dan wij. De componenten verbondenheid en tolerantie vormen samen een geheel.

    De rest van het boek besteedt Appiah aan het uitwerken van zijn pleidooi voor kosmopolitisme en het zoeken van de grenzen daarvan. Hij doet dat door boeiende verhalen uit het dagelijks leven te vertellen bij voorkeur afkomstig uit Ghana. Hij legt het onderwerp dicht bij huis door het terug te brengen tot concrete dilemma’s die voor velen herkenbaar kunnen zijn. Is het geoorloofd om je geld aan een operakaartje uit te geven en daar ook nog van te genieten zolang er honger is in de wereld? Het geld van een kaartje is immers voldoende om een kind het leven te redden. Welke verplichtingen heeft iemand jegens vreemden? U doodt niemand als u naar de opera gaat, is de opvatting uit het boek. Appiah formuleert enkele principes waarlangs hij de omvang van iemands inspanningen wil normeren. Allereerst legt hij de zwaarste verplichtingen niet bij het individu maar bij de natiestaat. Dat orgaan is het best toegerust om de rechten van mensen te garanderen. Niemand hoeft de last alleen te dragen. Ieder van ons wordt geacht een aandeel te leveren maar we kunnen niet verplicht worden om meer te doen. Daarbij is het tevens gerechtvaardigd dat mijn hart niet uitsluitend maar wel vooral ligt bij de zorg voor mijn familie, mijn vrienden en mijn land. De opvatting van Appiah mag wellicht pragmatisch zijn maar komt wel erg dicht in de buurt van een onderbouwing voor de status quo. En die status quo resulteert in grote armoede voor een groot deel van de wereld. Voor de leniging van de nood elders heeft zijn betoog dus weinig praktische betekenis. Bovendien laat Appiah zelf in zijn boek zien dat morele intuïtie vaak een betere graadmeter voor gedrag is dan de principes waarop mensen een beroep doen om de intuïtie te verklaren.

    Interessanter is zijn visie op kosmopolitisme als hij dat afzet tegen concurrerende visies op de omgang met vreemden. Hij vergelijkt het kosmopolitisme met het universalisme, het streven om een gemeenschappelijke waardenset voor de hele wereld te hanteren, en met het relativisme dat makkelijk ontaardt in onverschilligheid. Jullie vinden zus belangrijk en wij zo en daarover hoeven we niet met elkaar in discussie te gaan. Ieder gaat zijn eigen morele weg. Het negeren van de opvattingen van anderen is voor Appiah geen optie. Reizen en zwerven zit de mens in het bloed. De mobiliteit neemt alleen maar toe. Het boek is zeker overtuigend voor zover het kosmopolitisme beschouwt als een realistische en sympathieke manier om de omgang met vreemden inhoud te geven. Of het ook de onverdraagzamen op andere gedachten zal brengen, is twijfelachtig. Het eigen gelijk kan alleen op vrijwillige basis wankelen. Het lezen van Appiah is echter wel een inspirerende manier om de maand van de filosofie te vieren.