Leesimpressies

  • Laurent Gaudé: Onder de zon

  • Nr. 29 - 2007
  • Het beschrijven van een Italiaanse familiegeschiedenis biedt onuitputtelijke mogelijkheden. Voeg daar een lofzang op het platteland aan toe meer bepaald van het fictieve kustplaatsje Montepuccio gelegen in de zuidelijke regio Apulië en je ziet een Italiaanse schrijver al in de startblokken. Verrassend genoeg is de auteur in kwestie een Fransman. Laurent Gaudé kreeg voor zijn Italiaanse roman in 2004, 32 jaar jong, de Prix Goncourt. Deze prijs, vernoemd naar de babbelgrage broers uit de negentiende eeuw, bestaat uit een symbolisch bedrag van een paar euro’s maar vooral uit literaire roem. We maken kennis met vijf generaties van de familie Scorta. Het boek begint in 1875 wanneer Luciano, alom gekend als een bandiet, na lange afwezigheid terugkeert naar Montepuccio om zijn obsessie voor een vrouw uit te leven. Na vele flessen wijn en olijven eindigt het verhaal ruim voorbij de tweede wereldoorlog.


    In het boek is slechts een kort optreden voor Luciano weggelegd. Hij gaat recht op het huis van de bekoorlijke Filomena af. Zonder erg te hebben in de persoonsverwisseling ontmaagdt hij echter haar zuster Immacolata. Na de daad verlaat Luciano het dorp en wordt gestenigd door bewoners die met hem nog een appeltje te schillen hebben. Negen maanden later komt Rocco ter wereld. Voor Immacolata is de bevalling een te zware beproeving. Kort daarna overlijdt ze. Rocco overtreft zijn vader ruimschoots in slechtheid. Een kleine boef is een grote geworden. Rocco weet op dubieuze wijze tot grote welstand te geraken. Aan het eind van zijn leven onterft hij zijn drie kinderen. Hij laat zijn bezittingen aan de kerk en bedingt bij de dorpspastoor als tegenprestatie dat zijn kinderen een volwaardige begrafenis zullen krijgen. De drie kinderen van Rocco vervullen een spilfunctie in het boek. Het gaat om twee jongens en een meisje genaamd Carmela. Voor haar heeft Gaudé speciale aandacht.

    Het boek is opgebouwd vanuit het perspectief van een alwetende verteller. De hoofdstukken eindigen echter steeds met een beschouwing van Carmela. Aan het eind van haar leven levert zij in het bijzijn van de dienstdoende dorpspastoor commentaar op verschillende gebeurtenissen uit een bewogen leven. Carmela en haar broers hebben niks meer op het moment dat hun vader overlijdt. Te midden van de armoe van de streek proberen zij elders het geluk te vinden. De emigratie naar Amerika wordt een fiasco. Ze komen niet verder dan Ellis island vanwege een ziekte bij Carmela. De solidariteit van de familie gaat boven alles. De broers besluiten met Carmela terug te keren naar hun geboortegrond. Met hangende pootjes komen ze in het donker aan.

    Daarna begint een periode van opbouw. Met hard werken lukt het de familie een redelijk bestaan te veroveren. De Scorta’s zijn geschikt om te zweten. Een zelf opgeknapte tabakswinkel vormt de trots van de familie. Dit is de periode waarin Gaudé met overgave verslag doet van de zinnelijkheid van het dorpsleven. Er is de verzengende hitte van de zon, er zijn de maaltijden met het beste wat het land te bieden heeft. De Scorta’s zijn verknocht aan hun streek, hoewel ze zich weinig met hun dorpsgenoten bemoeien. Ze kiezen een huwelijkspartner uit de lokale gemeenschap maar zijn toch vooral op elkaar georiënteerd. Zwijgen is hun handelsmerk. De stad is ver weg en moet het doen met af en toe een schimpscheut. De Scorta’s vertegenwoordigen een cultuur van heftige emoties en grote gebaren. Elia, de oudste zoon van Carmela, steekt zelfs de tabakswinkel in brand naar aanleiding van een wanhopige liefde voor een rijkeluisdochter. Deze Maria wil niks van hem weten tot hij die fatale liefdesdaad verricht. Op dat moment kiest ze voor Elia. De twee geliefden trouwen waarna de tijd voor de vijfde generatie aanbreekt. Langzaam veranderen de tijden. Hun dochter Anna gaat zelfs in de grote stad medicijnen studeren.

    Het is opvallend hoe sterk de liefde voor de geboortestreek wordt uitgemeten zonder dat er sprake is van veel contact met de streekgenoten. Buiten de Scorta’s komen in het boek alleen de drie generaties van dorpspastoors goed getekend naar voren. Don Giorgio en don Salvatore, de eerste en de laatste, staan dicht bij de familie. Zij veroordelen niet maar hebben begrip voor menselijke zwakheden. De middelste, don Carlo, was veel rechtlijniger. Een Milanees, nietwaar. Met hem loopt het door toedoen van de familie slecht af.

    Gaudé heeft een kleurrijk portret van het plattelandsleven geschilderd. Vijf generaties in amper 200 bladzijden uitmeten is wellicht wat veel van het goede. Hij racet door sommige levens heen. De Scorta’s hebben de gewoonte de eigen dood aangekondigd te voelen. Dan vragen ze zich ook af: was dit nu alles en waar was het goed voor? Als daar al een bevredigend antwoord op is te geven dan is het iets dat zich in de schoot van het familieleven afspeelde. In die tijd, op die plaats en binnen die familie was het leven ruw en puur. Voor de lezer is het anders. Die voelt nog dagen de zon in de nek branden.