Leesimpressies

  • Luuk Gruwez: Krombeke retour Deerlijk retour

  • Nr. 18 - 2011
  • Tot mijn favoriete boeken uit de serie Privé-domein behoort Het land van de wangen. Het was bij verschijning in 1998 mijn kennismaking met Luuk Gruwez. Het boek heb ik verschillende keren cadeau gedaan. Sindsdien ben ik het prozawerk van Gruwez blijven volgen. Ik bleef op zoek naar die aangrijpende familiegeschiedenis onder woorden gebracht in schitterende formuleringen. De aankondiging van Krombeke retour/ Deerlijk retour wekte direct mijn belangstelling. Verwezen die plaatsnamen immers niet naar de geboortegrond van Gruwez in de Westhoek van België? Zoals een buitenspiegel een dode hoek bezit, kan een land dat ook hebben. Het gaat om een vergeten gebied verlevendigd door ontelbare oorlogsgraven. De landbouw schraagt de economie, vanouds vlas en weilanden. De tijd staat er stil maar de eerste wereldoorlog duurt er voort. Rij je er zonder vaste bestemming doorheen dan blijken de dorpen bij toerbeurt in Vlaanderen en Frankrijk te liggen. Vanzelfsprekend waait het er stevig. Wielrenners schuilen in waaiers. Dat is de thuisgrond van Gruwez die later zal afglijden tot een bebrilde docent in Hasselt.

    Opnieuw vertoeven tussen de kleurrijke familieleden van Gruwez leek een aantrekkelijk vooruitzicht. Die belofte werd weliswaar ingelost maar het bleek nauwelijks om nieuw werk te gaan. Het boek bevat vooral een nieuwe uitgave van eerder werk. Via bestaand materiaal zijn we wederom te gast bij de grootouders van Gruwez. Opa Bing en opa Knor herhalen hun oude optredens. Hun beheersing van de kruidige volkstaal is niet gesleten. Krombeke heet in het plaatselijke jargon Zoetepoepe-les-bains. Een clitoris wordt een paternosterbolleke en straalbezopen heet poepeloerezat. Een groot deel van het boek is, net als in Het land van de wangen opgetekend tijdens het verblijf om de veertien dagen bij de grootouders Liesje en Knor. De kleinzoon aanbidt zijn oma. Opa is aanvankelijk een hoekig aanhangsel. Het schrijven gebeurt boven in de badkamer of op de wc.


    Ik doe een belofte: ik zal, nu mijn beide ouders er niet meer zijn, voortaan om de veertien dagen een weekend bij mijn oma en haar man doorbrengen


    Het deel dat over Krombeke handelt, de kant van de vader, begint met een verhandeling over Regina, de betovergrootmoeder. Gruwez laat met haar de afstemmingslijn beginnen. Regina is analfabeet. Als zij in 1860 een zoon baart, is de vader onbekend. Een kwestie van fantoomzaad.

    In honderd jaar is de stap gemaakt van het analfabetisme naar het schrijverschap van de nakomeling. Gruwez probeert met zijn verslag de continuïteit in de familiegeschiedenis vast te leggen. Hij overweegt zelf dat verlatingsangst wel eens het motief kan zijn. Hij is een andere weg ingeslagen ook letterlijk. Hij is gaan studeren in Leuven en heeft zich gevestigd in Hasselt. Er gaapt een kloof tussen de provincies Limburg en West-Vlaanderen en misschien zelfs tussen de Germaanse en de Latijnse cultuur. De heimwee, dat ‘achterwaartse verlangen’, blijft. “West-Vlaanderen is het land van de van de handen. Daarmee kan men wurgen, daarmee kan men strelen, daarmee kan men vooral zijn centen tellen. Limburg, waarnaar ik geëmigreerd ben, is het land van de wangen. Daarmee glimlacht men, onophoudelijk.”

    Het schrijverschap kondigt zich al jong aan. Opa Bing koopt voor zijn allerliefste kleinzoon een synoniemenwoordenboek. Dan heeft Luuk alle woorden paraat en hoeft hij ze alleen nog maar in de juiste volgorde te zetten. De naam Bing is een verbastering van de tweede lettergreep van zijn echte naam Urbain. Gruwez geeft fraaie schetsen van de kleurrijke familieleden van Bing. Aan bod komen oudoom Oswald de duivenmelker, zijn zuster Blanche een komische diva die bekend stond als de nachtegaal van Krombeke en de rebelse potsenmaker Eli. Bing laat doorschemeren dat zijn vrouw weinig onderscheid maakte in het verrichten van de afwas en de echtelijke plicht. Tot zover de kant van de vader.

    Het is mooi te lezen hoe Gruwez gaandeweg meer sympathie krijgt voor de ruwe bolster Knor. Zes decennia lang consumeert hij per dag vijf pilsjes en drie flessen wijn. Op zijn tweeëntachtigste stopt hij met roken. Gezond leven kan dus altijd nog. Knor heet trouwens eigenlijk Lucien. Hij komt uit Blankenberghe. “Hij bleef enig kind en zou zich een leven lang als dusdanig gedragen.”

    De bezoeken aan Liesje en Knor beginnen zwaar te wegen. De grootouders zijn hoogbejaard en de gebreken stapelen zich. Gruwez beschrijft de onttakeling openhartig. De ontlasting en urine spatten van de pagina’s. Valpartijen en kwetsuren in overvloed. De laatste communie legt het diverse keren af tegen de levenskracht van de grootouders. Gruwez tekent het met ambivalente gevoelens allemaal liefdevol op. De kwaliteit van leven staat op een laag pitje maar Gruwez verzet zich tegen het onvermijdelijke. Hij roept God te hulp om Liesje beter te maken en verontschuldigt zich voor eerdere slechte recensies van het opperwezen. Uiteindelijk bezwijken de grootouders. Opa Bing en opa Knor zijn niet meer. Dankzij het schrijftalent van hun kleinzoon ligt hun geschiedenis vast in een prachtig document. Je bent als dode man beter af met een Luuk Gruwez dan met een Connie Palmen.

Lijstjes

Deze auteur komt voor in de lijstjes: