Leesimpressies

  • Maarten 't Hart: Magdalena

  • Nr. 24 - 2015
  • Nederlandse schrijvers hebben hun moeder als thema ontdekt. Arnon Grunberg raakt niet uitgepraat over de zijne. Kort na elkaar publiceerden Adriaan van Dis en Maarten ’t Hart een roman over hun moeder. Twee generatiegenoten konden naar milieu nauwelijks meer van elkaar verschillen. Bij ’t Hart gaat het om een besloten dorpsgemeenschap in de bible belt. Bij Van Dis krijgen we de dorpsgemeenschap te zien vanuit het perspectief van de buitenstaander. Bij ’t Hart ruikt het naar spruitjes, bij Van Dis overheerst de geur van koloniale specerijen. Het is moestuin versus sawa. Ook het opperwezen verschilt. Bij ’t Hart regeert niet alleen op zondag een onverdraagzame tiran, bij Van Dis gelden andere kunstjes onder meer die van de reïncarnatie. Beide schrijvers roepen een Nederland op dat vrijwel is verdwenen. De sporen zijn gebleven. ’t Hart is ondanks zijn leeswoede altijd een dorpsjongen gebleven. Voor hem geen groter ongemak dan een verblijf in het buitenland. Voor Van Dis is de wereld zijn onderkomen geworden. Hij reist naar China, India en Zuid Afrika en woont enkele jaren in Parijs. Het is interessant om beide boeken naast elkaar te lezen. Hoe verschillend beide auteurs ook zijn, alle twee hebben zij met publicatie van hun familiegeschiedenis gewacht tot het overlijden van moeder. Een les in geduld. De moeders werden in de negentig.

    Moeder ’t Hart belandde vanuit Poeldijk, waar zij in 1920 geboren werd, in Maassluis. Zij kwam uit een tuindersgezin dat negen kinderen omvatte. Haar vader was een dwingeland, haar moeder een babbelkous. Het was een leven van armoe. Magdalena bezat een goed stel hersens maar doorleren was er niet bij. Ze bleef aan Maartens vader, zelf een verschoppeling uit een groot gezin, plakken door het herstellen van zijn kapot geraakte bretelletjes. Ze besloot dat ze die zorgende taak best voor de rest van haar leven op de schouders kon nemen. ‘t Hart probeert de jeugd van zijn moeder te reconstrueren. Dat lukt nauwelijks. Ze wilde daar niets over kwijt. De schrijver constateert dat hij meer weet over de jeugd van Mozart dan over die van zijn moeder. Een echte biografie is het dan ook niet geworden. Het boek bevat pregnante voorvallen waarbij ’t Hart minstens zo vaak zelf in de schijnwerpers staat als zijn moeder. Ouders geven hun tics door aan hun kinderen. Veel mogelijkheden die het leven te bieden heeft, zijn nergens voor nodig. Als de kleine Maarten verguld is met een meccanodoos als verjaardagscadeau van een familielid, wordt dit bezit hem direct uit handen genomen. Doorleren is een overbodige luxe. Tanden poetsen evenzeer. Hoe eerder je een kunstgebit hebt des te goedkoper ben je uit met als bijkomend voordeel nooit meer kiespijn. Moeder was bang voor van alles en nog wat en het meest voor de denkbeeldige mokkels waar haar echtgenoot het mee aanlegde. Zelfs in de kerk dacht zij dat hij begeerlijke blikken op andere vrouwen wierp. Zorgzaam was moeder ’t Hart zeker. Tot het hoogtepunt van Maartens jeugd behoorde de zelf klaargemaakte gruttenbrij. Genieten dient ingetogen te gebeuren. Vreugde is zonde.

    Geen denken aan dat er op maandagavond naar de familie Doorsnee werd geluisterd ook niet via de radio van de buren. Bij die familie werd aan tafel overduidelijk niet voor het eten gebeden, en menigmaal klonken er bastaardvloeken op zoals jeetje, gossie, potverdorie


    Maarten ‘Hart heeft inmiddels ruim veertig boeken geschreven. In zijn romans en verhalen is het benepen gereformeerde milieu waarin hij opgroeide uitgebreid geportretteerd. Hij verwijst op sommige momenten naar zijn eigen werk waarin gebeurtenissen uit het gezin zijn opgetekend. Toch heeft hij nog wel enkele nieuwe pareltjes weten op te duiken. Zijn tochtje met de luxewagen met een onbekende man behoort daartoe. De omgeving meent dat er van een ontvoering sprake is. Hij vergezelt de onbekende echter naar de begraafplaats zodat deze man bloemen bij het graf van zijn vader kan leggen. Maarten mag de sleutel van de begraafplaats niet afgeven en moet de man dus noodgedwongen vergezellen.
    Uit eerder werk is de afkeer van Maarten ’t Hart tegenover het geloof overbekend. Twee boeken hebben dit zelfs als een centraal thema meegekregen: Wie God verlaat heeft niets te vrezen en De bril van God. De gereformeerden hebben hem vaak onheus bejegend en hij kan het niet laten om eens flink terug te pesten. Bij stiefvader Jaap, de tweede echtgenoot van zijn moeder, mocht hij als godloochenaar niet over de vloer komen. Zijn moeder moest hem stiekem bellen of op een geheime plaats met hem afspreken. Maarten ’t Hart put zich uit om met een overdaad aan argumenten de gebreken van het geloof aan de kaak te stellen. Hij rekent uit dat het een onmogelijke opgave voor Noach geweest moet zijn om alle diersoorten aan boord van de ark te krijgen voordat de dieren met een korte levensverwachting al gestorven zijn. Aan het eind van de boek fileert hij alle elementen van de Apostolische Geloofsbelijdenis. Dat is water naar de zee dragen. Maarten ’t Hart zou toch moeten weten dat geloven geen daad is van het verstand maar van de wil, aangewakkerd door de omgeving tijdens de opvoeding. Geen gelovige gaat overstag voor rationaliteit. Geloof is een andere tak van sport met andere spelregels. De vele schimpscheuten richting geloof zijn hier minder op hun plek. Een biografie is iets anders dan een afrekening in het christelijke milieu.