Leesimpressies

  • Maeve Brennan: De breedsprakige dame

  • Nr. 13 - 2020
  • Stel dat je zelf achter de knoppen zou mogen zitten van een tijdmachine, welke tijd en plaats zou je kiezen. Naar aanleiding van David Halberstam’s boek The fifties (zie weblog 20, 2009) heb ik me vastgelegd te willen opgroeien in het Manhattan van de jaren vijftig en zestig. Het risico dat ik zou figureren in een column van Maeve Brennan neem ik op de koop toe. Zij beschreef haar impressies van de stad in het tijdschrift The New Yorker. Onlangs zijn deze stukken in vertaling gepubliceerd. In het verleden zijn er verhalenbundels van haar in het Nederlands op de markt gebracht maar die zijn me ontgaan. Manhattan is een heerlijke plek om te wandelen. Je kijkt er je ogen uit en aan vreemde kostgangers geen gebrek. Maeve Brennan gaat graag alleen op pad. Vanuit een horecagelegenheid houdt zij haar stadgenoten in de gaten. Een geliefkoosd tijdstip is tussen lunch en diner. Je vindt makkelijk een leeg tafeltje en met een beetje geluk kun je tegelijk zowel binnen als buiten aan een bespiegeling onderwerpen. Met behulp van een boek, krant of tijdschrift kun je de gesprekken van anderen afluisteren zonder dat het opvalt. Lukt het niet om op te tekenen wat er gezegd wordt, dan kan je fantasie het gemis aan informatie compenseren. Misschien is dat nog wel het leukst: achtergronden en motieven aan onbekenden toeschrijven.

    Maeve Brennan is Ierse van geboorte. Op 17-jarige leeftijd belandde zij vanwege de baan van haar vader in New York. Zij zou zich aan de metropool verbinden. Typerend voor haar aanpak is de gulzigheid waarmee zij de indrukken van de stad verzamelt. Met precisie beschrijft ze mensen en voorwerpen. ‘Ze was slank en mooi, haar huid was heel blank en haar blauwe ogen keken rond in het restaurant met een starre, emotieloze uitdrukking alsof het haar gewoonte was om ongeïnteresseerd te zijn.’ Brennan probeert haar stadgenoten tot in hun kern te typeren maar is terughoudend als het om haarzelf gaat. Uit de columns valt af te leiden dat ze frequent van woning wisselt. Meestal verblijft ze in hotels. Als er sprake is van een vriend dan gaat het toch vooral over eentje die de stad uit is zodat zij een poosje in zijn appartement kan vertoeven. De stad biedt volop vertier. Brennan houdt wel van een beetje reuring. Ze geniet als een wildvreemde man op straat zingt of trompet speelt. Ze laat geen kans onbenut om vooraan te staan als er een parade voorbijtrekt. Helemaal mooi is het als een straat is afgesloten omdat er filmopnamen plaatsvinden. Brennan heeft het geluk dat zij Julie Andrews tijdens een lunchpauze in het vermaarde Algonquin Hotel een sandwich ziet eten. Dat is trouwens midden in het gebied waar zij zich bij voorkeur ophoudt. Afhankelijk van het woonadres neemt zij de lezer vooral mee naar midtown en het gebied rond de Village. Haar observaties laat zij vaak vergezeld gaan van een kwinkslag. Brennan raakt opgetogen als zij een gesprek opvangt over de presidentsverkiezingen waarbij zij hoort verkondigen dat John F. Kennedy veel te jong is voor het ambt. Kennedy en Brennan zijn even oud, op dat moment 43.

    Ik dacht hoe verbazingwekkend het was om zoveel jaar te hebben geleefd en zoveel gezichten te hebben gezien en zoveel woorden te hebben gehoord en zoveel woorden te hebben gezegd en zoveel verschillende soorten weer te hebben meegemaakt en nog altijd jong gevonden te worden


    Behalve naar mensen gaat veel aandacht uit naar gebouwen. Brennan ergert zich dat huizen plaats moeten maken voor kantoorgebouwen. Kantoorruimte noemt zij een mensenetende reus. De straten veranderen van karakter. Voeger werd je in een horecagelegenheid welkom geheten door de eigenaar. Tegenwoordig doet een zetbaas dat en bevindt de eigenaar zich elders. De wereld buiten New York lijkt geheel afwezig. Een keer wijdt Brennan een column aan de schrijver Ludvik Vaculik, omdat hij een manifest heeft geschreven tegen de inval door Russische tanks van zijn land. Voor het overige haalt zij haar inspiratie uit de stad zelf.
    De stukken missen een pointe. De auteur is meer van de beschrijving dan van de analyse. Een enkele keer waagt zij zich daar toch aan. Er is een passage te vinden in het boek waarin zij de avenues van Manhattan wil karakteriseren. Over Broadway zegt ze: ’geen andere plaats is zo opvallend en geheimzinnig, zo leeg en levendig, zo onwerkelijk en overbekend, zo teruggetrokken en luidruchtig’. Park Avenue gedraagt zich ijselijk onverschillig. Fifth Avenue is heerlijk ruim maar de winkels liggen te ver van elkaar af. Brennan is op zoek gegaan om iets positiefs te melden over Sixth Avenue maar haar missie is mislukt. Haar voorkeur heeft Madison Avenue. Die straat is aangenaam op elk uur van de dag en in elk seizoen.
    Er valt wel het nodige op het boek aan te merken door de gemakzucht van de uitgever. Op de achterflap staat te lezen dat de columns gaan over het New York van de jaren zestig en zeventig. Men bedoelt de jaren vijftig en zestig. In een epiloog zijn enkele stukken te vinden van een latere datum. Wat merkwaardig aandoet is dat de columns niet gerangschikt zijn naar de datum van publicatie. Elke toelichting op de rare sprongen in de tijd ontbreekt. De afbeelding op de cover s een weinig subtiel signaal naar de auteur. Het enige gebouw dat goed herkenbaar is, betreft het Empire State Building. Laat dat nu een gebouw zijn waar Maeve Brennan een grondige hekel aan had. Zij heeft de Nederlandse vertaling niet onder ogen gehad. Brennan overleed in 1993. Zij was toen al geruime tijd aan lager wal door alcohol en psychische problemen. New York was geen gezinsvervangend tehuis meer. Haar columns zijn blijvende getuigen van een meer lucide levensfase.
    middelr@xs4all.nl