Leesimpressies

  • Malcolm Gladwell: Wat de hond zag

  • Nr. 48 - 2009
  • De Canadese schrijver Malcolm Gladwell boekte een wereldhit met zijn The tipping point uit 2000. Zijn doorbraak in Nederland stond voor mij onomstotelijk vast toen politiechef Bernard Welten dit begrip om de zin gebruikte in een praatprogramma op de televisie. Welten is sowieso de moeite van het volgen waard voor een ieder met belangstelling voor communicatie. Naar vorm en inhoud heeft de man een eigen stijl. Hij voelt zich kort aangelijnd door burgemeester Job Cohen en dat blaft niet lekker. Zijn woordkeus is een wonderlijke melange van managementspeak met invloeden van Popie Jopie. Een verstoring van de openbare orde wordt soms uit het niets geboren. Kleine voorvallen kunnen opeens een versnelling krijgen die uitmonden in iets groots. Dat is de boodschap van The tipping point waarbij de auteur de factoren die het succes veroorzaken poogt te ontsluieren. Gladwell liet zich kennen als een nieuwsgierige zoeker naar het geheim dat in sociale epidemieën werkzaam is. Zojuist is een nieuw boek van hem verschenen: Wat de hond zag. Het is een bloemlezing van artikelen die Gladwell schreef voor The New Yorker.

    Het boek bestaat uit drie delen. Het eerste gaat over ‘enthousiastelingen, pioniers en andere varianten van bescheiden genialiteit’. Voor mij was dit het minst boeiende deel. Het gaat over mensen die begiftigd met een idee een groot succes boeken dankzij een combinatie van inzet, flair en geluk. Over de onderlinge verhouding van de verschillende bestanddelen komen we weinig te weten. Er volgen onder meer verhalen over een verkoper van keukenmessen, een reclamevrouw die de consument aan de haarverf kreeg en de uitvinder van de enige ware ketchup. Hoewel niemand als krantenjongen begon, levert dat vooral clichématige hoofdstukken op over selfmade types. Gelukkige hoofdstukken lijken allemaal op elkaar.


    Paniek is het tegenovergestelde van verstarren. Verstarren betekent te veel, paniek te weinig nadenken


    De andere twee delen zijn interessanter. Gladwell heeft een brede belangstelling en probeert uit te vinden waarom iets werkt. Zijn nieuwsgierigheid springt van het ene naar het andere onderwerp en vaak probeert hij verbanden te leggen tussen onderwerpen die ogenschijnlijk niks gemeen hebben. Soms werkt dat verhelderend. Toch levert de zoektocht van Gladwell niet altijd resultaat op. Soms eindigt het verhaal met de constatering dat een gangbare verklaring niet klopt. Niet alle vuurpijlen gaan de lucht in. Typerend voor Gladwell is het om de problemen van de Amerikanen om op foto’s Irakese scudraketten te ontwaren in hetzelfde hoofdstuk te behandelen als de effectiviteit van de mammografie om tumoren te ontdekken.

    Enkele keren staat het energiebedrijf Enron centraal in een hoofdstuk. Dit bedrijf stond eens model voor hoe je in de nieuwe economie zaken moest doen. Op het hoofdkantoor in Houston was the sky the limit. Het bedrijf deed oorspronkelijk in gasleveranties maar verplaatste de aandacht steeds meer naar de handel. Het schuiven van schimmige activiteiten van de ene dochter naar de andere resulteerde begin deze eeuw in een faillissement. De top werd vervolgd voor malversaties en accountant Arthur Andersen werd meegesleept in de val. Het bedrijf effende met de eigen informatievoorziening zelf het pad voor de ondergang. Voor wie de door hen gepubliceerde cijfers goed bestudeerde, werd duidelijk dat Enron een zeepbel was. In de boeken werden geen gerealiseerde winsten opgevoerd maar winsten die men hoopte te maken. Gladwell bespreekt naar aanleiding hiervan het disclosure paradigm. Door de buitenwacht te overvoeren met gegevens ziet niemand door de bomen nog het bos en kun je als bedrijf lang wegkomen met schijnbare openheid. Tevens gebruikt Gladwell Enron om het verschil tussen een raadsel en een mysterie te behandelen. Een raadsel is in beginsel oplosbaar, een mysterie niet. Informatie is een bruikbaar wapen om een raadsel aan te pakken, bij een mysterie werkt informatie misleidend. In het laatste deel van het boek komt de bedrijfscultuur van Enron aan bod waarbij het gaat om de eenzijdige nadruk op talent. Ditmaal was niet Arthur Andersen de raadgever maar McKinsey. Overigens met net zulke funeste gevolgen. Bedrijven waar de sterallures van individuen belangrijker zijn dan het collectief van de organisatie, zullen op korte termijn goed scoren op de arbeidsmarkt. Voor de continuïteit op langere termijn is het echter een slechte indicator.

    Het laatste deel gaat over ‘persoonlijkheid, karakter en intelligentie’. Gladwell probeert vast te stellen welke manieren betrouwbaar zijn om voorspellingen te doen over menselijk gedrag. Vragen die aan de orde komen zijn: hoe kunnen we de kwaliteit van het onderwijs verbeteren, welke quarterback zal slagen in de NFL, hoe weten we wie we moeten aannemen voor een baan en wat zijn de kenmerken van een seriemoordenaar? De antwoorden bestaan deels uit inzichten van wat in ieder geval niet werkt. Het theoretisch concept van creeping determinism kom ter sprake. Achteraf komen gebeurtenissen ons als onvermijdelijk voor maar om diezelfde gebeurtenissen te beïnvloeden zou je dat besef vooraf moeten hebben en dat is vrijwel ondoenlijk gezien het oneindig aantal signalen dat beschikbaar is. Na 11 september is het een koud kunstje om het volgen van vlieglessen door iemand uit een Arabisch land als een aanloop naar terrorisme te zien. Vooraf zou het daarentegen uitgelegd kunnen worden als een daad van integratie. Gladwell lezen is een speelse confrontatie met een rijkdom aan opvattingen. Een stimulerend genoegen.