Leesimpressies

  • Marlene van Niekerk: De sneeuwslaper

  • Nr. 25 - 2010
  • Door het WK zijn de ogen van de wereld gericht op Zuid-Afrika. Elke dag zien we trotse inwoners van dat land in beeld en we horen hen toeteren. Je bent als land en als continent pas volwaardig als het lukt om zo’n groots spektakel te organiseren. Alle bevolkingsgroepen scharen zich achter het motto ‘united’ dat armoede en geweld tijdelijk naar de achtergrond verschuift. Wanklanken zijn er nauwelijks. Soms is er plaatsvervangende schaamte voor die voormalige landgenoten die een nieuw vaderland vonden. Ze hebben niks tegen zwarten maar je kunt hen niet de regering toevertrouwen. Voetbal is een geschikt excuus om schrijvers uit dat land te lezen. Bijvoorbeeld Marlene van Niekerk. Haar romans Triomf en Agaat werden geprezen. Toen De Groene Amsterdammer een lijst publiceerde met de beste romans uit de 21ste eeuw, kreeg Agaat een hoge notering. Het gaat daarin om de confrontatie tussen de blanke grondbezitster Milla de Wet en haar zwarte hulp in de huishouding Agaat. De vrouw is verlamd en overgeleverd aan haar herinneringen en haar meid. Voor mij was die psychologische afrekening van bijna 600 bladzijden te uitgesponnen. Er is een overdaad aan details onder meer over het lichamelijk verval op het grondgebied van Grootmoedersdrift. Wel zindert op microniveau de geschiedenis van de Apartheid door het boek. De omvang van de laatste Van Niekerk De sneeuwslaper bood perspectief.

    Uitgeverij Querido spreekt op de omslag van De sneeuwslaper over verhalen. Het gaat om vier stuks. Na lezing blijkt dat de verhalen via de personages met elkaar verbonden zijn. Elk verhaal is de neerslag van een min of meer officiële aangelegenheid. Het boek begint met een inaugurele rede om via een toespraak aan het graf en een onderzoekverslag te eindigen met een lezing. Bij de inaugurele rede en de lezing is ene Marlene van Niekerk degene die het woord voert. Het officiële karakter van de vier verhalen verkeert in tegenspraak met de inhoud. Figuren in de marge van de samenleving staan daarin centraal. Zo gaat de openbare les over een aan lager wal geraakte student die bij Van Niekerk het vak creative writing volgde, of eigenlijk vooral niet volgde. Deze student met de bijnaam meneer Xenos schreef haar vanaf de intensive care van een Amsterdams ziekenhuis. Aanleiding voor de opname is een delirium. Een docent creative writing houdt zich bezig met een zoektocht naar het ware of het schone of het goede. Dergelijke vragen vindt Van Niekerk niet meer relevant. Liever vertelt zij over de brieven die zij van de student kreeg. Brieven die zij overigens onbeantwoord liet. Je krijgt het vermoeden dat de schrijver via een omweg iets wil vertellen over de zin en het wezen van literatuur.


    Een roman is altijd ten minste twee romans, het verhaal over de verteller en het verhaal dat hij vertelt, liefst een verhaal in een verhaal in een verhaal


    De student raakt onder de indruk van een zwanenfluisteraar die langs een touwladder naar grachten afdaalt om zich prevelend tot de beesten te richten. De student ontfermt zich over de zwanenfluisteraar, neemt hem mee naar huis en probeert zijn taal te decoderen. Een associatie met nonsenspoëzie is snel gelegd. Het personage Van Niekerk heeft een nieuwe roeping: het vertalen van de onbegrijpelijke klanken. De student heeft haar geleerd wat een schrijver moet zijn. Bij het tweede verhaal wordt duidelijk dat de vier verhalen in elkaar grijpen. De gelegenheid wisselt, de verteller bespreekt een raadselachtig personage. Een bijrol in het ene verhaal kan omslaan in een hoofdrol.

    In het tweede verhaal is een antiquair uit de Spiegelgracht, gespecialiseerd in staande klokken, aan het woord bij de begrafenis van zijn vriend, de schrijver Willem Oldemarkt. Tijdens de grafrede richt deze tiktakman zich rechtstreeks tot de zus van de overledene die op haar beurt de opsteller van het onderzoekverslag over de dakloze sneeuwslaper uit het derde verhaal blijkt te zijn. In de sneeuwslaper herkennen we weer de zwanenfluisteraar. De schrijfster Marlene van Niekerk speelt een spel met de werkelijkheid waarbij zij ook zichzelf als een pop aan een touwtje heeft. Daar doorheen schemert een opvatting dat de gearriveerden een minder waarachtig leven leiden dan de mislukten. Die laatste categorie vormt immers het studieobject dat ten voorbeeld wordt gesteld. Het is een opvatting die niet tot mijn verbeelding spreekt. ‘Wij vertellen verhalen omdat wij zoeken, niet omdat wij weten wat de waarheid is,’meldt de achterflap. Een schrijver die zich achter dit adagium verschuilt, brengt een zwaktebod uit. Wat heeft het stellen van vragen voor zin als daar niet een begin van een antwoord uit te voorschijn komt? Schrijver stuur jezelf maar niet de lezer het bos in. Waarom zou je een schrijver volgen die het ook niet weet. Om ook eens een vraag te stellen: waarom zou de lezer een dergelijk boek lezen in plaats van met de armen over elkaar te blijven zitten. Dan eindigt het boek met de symbolische introductie van de leeuwerikspiegel. Diepzinnigheid is aantrekkelijk maar quasi diepzinnigheid irritant.