Leesimpressies

  • Oek de Jong: Zwarte schuur

  • Nr. 8 - 2020
  • Na het verschijnen van Cirkel in het gras uit 1985 heb ik van Oek de Jong geen fictie meer gelezen. De persoon van de auteur sprak me niet aan. Het was te nadrukkelijk de afrekening met het benepen protestantisme uit de provincie. Dat zou streekgenoot Franca Treur een paar decennia later veel eleganter doen. Oek de Jong verhuisde naar Amsterdam en volgde een opleiding tot kunsthistoricus. Hij omhelsde de ruimdenkendheid en de seksuele vrijheid. Bij zijn personages had ik moeite met het feit dat zij zichzelf zo serieus namen. Ondertussen las ik wel af en toe zijn essays. Zo kwam ik in contact met Het visioen aan de binnenbaai waarin hij bewonderend schrijft over het werk van Maria Dermoût, dichter Arie Visser, Gerard Reve en Frans Kellendonk, allemaal schrijvers waarin de hang naar het religieuze doorschemert. Van Calvijn ben je zo maar niet af. Hoewel zijn personages wel wat relativeringsvermogen kunnen gebruiken, spreekt me bij Oek de Jong aan dat hij het vak van romanschrijver serieus neemt. Er gaan jaren werk vooraf aan de publicatie van een volgende vuistdikke roman. Oek de Jong raffelt zijn onderwerp niet af maar wil bij zijn personages de diepte in. Dat patroon is herkenbaar in zijn laatste roman waarin het kunstenaarsbestaan en een Zeeuwse jeugd elkaar kruisen.

    Schilder Maris Coppoolse is op het toppunt van zijn roem als hij in een taxi samen met Fran, zijn geliefde sinds twintig jaar, op weg is naar de opening van zijn overzichtstentoonstelling in het Stedelijk. De stemming tussen Maris en Fran is gespannen. Zij zijn wat hun wederzijdse ergernissen betreft op bekend terrein. Het is tijd om het glas te heffen te midden van de artistieke entourage waarbij we in de directeur van het Stedelijk de mevrouw herkennen die vanwege vermeende belangenverstrengeling een poosje later haar positie beschikbaar zou stellen. De opening van een tentoonstelling genereert publiciteit. Een weekblad heeft een profiel van de schilder aangekondigd. Dat pakt anders uit. Op de voorpagina verschijnt een onderzoeksverslag naar het verleden van Maris Coppoolse. Als jongen van veertien heeft hij de dood van een leeftijdsgenootje op zijn geweten. Het gebeurde in een zwarte schuur op het Zeeuwse platteland. Hoewel de sporen van het voorval bij Maris altijd onder zijn huid zijn blijven zitten, brengt het bericht in zijn omgeving een schok te weeg. Hij moet niet allen een manier vinden om met zijn verleden in het reine te komen maar ook met zijn omgeving. Alleen Fran was op de hoogte. Zij heeft zijn verleden geaccepteerd maar juist hun band bevindt zich op een dieptepunt. Het maakt verschil of je alleen aan jezelf verantwoording moet afleggen over een voorval of dat de buitenwereld om tekst en uitleg vraagt.

    Vijfenveertig jaar geleden. Wat heb ik daar nog mee te maken? Dit gaat over iemand die ik allang niet meer ben. Hoe kan ik nog verantwoordelijk zijn voor de daden van een veertienjarige? Alle cellen in mijn lichaam hebben zich inmiddels minstens zes keer vernieuwd


    Oek de Jong geeft ruim baan aan zijn personages, aan wat zij zeggen, denken en doen. Toch is de belangrijkste woordvoerder van de roman niet Maris, maar een verteller die we gemakshalve Oek de Jong kunnen noemen. Het effect hiervan is dat meerstemmigheid de boventoon voert. Wat er precies is gebeurd in de zwarte schuur blijft tot op zekere hoogte ongewis. De enige getuige is Maris. Spreekt zijn geheugen de waarheid en niets dan de waarheid? Maris was voortvluchtig na het incident. Hij is Zeeland ontvlucht en zijn familieband is op losse schroeven geraakt. De familie van het meisje weet zeker dat het om moord gaat. Maris spreekt van een ongeluk. De rechter vonnist dood door schuld.
    Het begrip dat Fran voor het verleden van Maris heeft opgebracht, rust voor een flink deel op herkenning. Zij was getrouwd met een vermaarde fotograaf en had met hem twee jonge kinderen. Toen zij hem vanwege veelvuldig overspel de deur wees, overleed hij kort daarna. Het was een eenzijdig ongeluk, een auto tegen een boom, vermoedelijk zelfmoord. Het oudste kind, dochter Stan, heeft daaraan een wrok tegen haar moeder overgehouden. Maris heeft uit volle overtuiging de vaderrol op zich genomen en werd door de kinderen als zodanig geaccepteerd. Hij vormde een brug tussen de moeder en de kinderen.
    Oek de Jong schildert met tussenpozen sleutelmomenten uit het leven van Maris waarmee de stap van de zwarte schuur naar het Stedelijk geschetst wordt. Geloofwaardig komen de schommelingen in de gemoedswereld van de individuele personages en hun onderlinge verhoudingen voor het voetlicht. In een mensenleven is er tegelijkertijd plaats voor ambivalenties en voor consistentie. Een rode draad in het leven van Maris is onderhuidse agressie. Het is een terugkerende worsteling om dat onder controle te houden. Het zijn verblijven in het buitenland zoals in New York en op een Canarisch eiland net als de ontmoetingen met nieuwe mensen, vooral vrouwen met Zeeuwse oorsprong, die als katalysator in zijn bestaan fungeren. Ook de relatie met Fran laat zich met nieuw perspectief voeden. De roman geeft daarmee een realistisch inkijkje in de complexiteit van het leven. De conclusie van mijn leeservaring is dat ik ook nog een keer aan Hokwerda’s kind zal moeten geloven. Zonder tegenzin.