Leesimpressies

  • Orhan Pamuk: Istanbul

  • Nr. 19 - 2006
  • Elk jaar om deze tijd stuiven journalisten op Harry Mulisch af met de vraag wat hij vindt van de zojuist geproclameerde winnaar van de Nobelprijs voor literatuur. Nooit tevergeefs. Gedecideerd verkondigt Mulisch zijn standpunt, hoewel hij het werk van de laureaat niet kent. Mulisch leest geen boeken, hij schrijft ze. Mijn ervaring met Pamuk is niet veel ruimer. Met Het huis van de stilte had ik de nodige startproblemen maar Sneeuw vond ik een mooi boek. Het was opmerkelijk om te lezen hoe een symbolisch vraagstuk als het wel of niet mogen dragen van hoofddoekjes de gemoederen diep in Turkije net zo kan bezighouden als hier. Liever dan kennis te nemen van alle commentaren op de keuze van de jury in Stockholm, pakte ik Istanbul uit de kast, de meest recente uitgave van Pamuk in het Nederlands.

    De eerdere boeken van Pamuk zijn allemaal romans. Istanbul is wat de ondertitel “herinneringen en de stad” belooft: autobiografisch en eerbetoon aan een stad ineen. Die combinatie is geen toevallige. Pamuk is in Istanbul geboren en heeft er praktisch zijn hele leven gewoond en momenteel zelfs weer in het flatgebouw van zijn jeugd. De zwerftocht van zijn leven heeft bestaan uit het wisselen van etage. Zoveel trouw moet wel wijzen op een hechte band. In het flatgebouw huisde niet alleen het kerngezin, samen met zijn ouders en twee jaar oudere broer, maar ook diverse ooms en tantes, neefjes en nichtjes en grootouders. De vele volwassenen zorgden voor een plechtige sfeer. De overvolle inrichting deed denken aan een museum. Elke etage bevatte minstens één piano zonder dat iemand daar ooit op speelde. Pamuk heeft lang gedacht dat een piano diende als onderzetter voor fotolijstjes.

    Opa van vaderskant had een fortuin vergaard waardoor Pamuk opgroeide in relatieve welstand. Gedurende zijn jeugd werd dat minder, omdat vader en oom het familiekapitaal gebruikten voor verliesgevende ondernemingen. Een terugkerende conflicthaard binnen de familie.

    De jonge Pamuk leren we kennen als iemand die troost zoekt in zijn eigen fantasiewereld. Zo koestert hij het idee dat zich ergens in de stad een dubbelganger van hem bevindt. Istanbul is een voortdurende bron van inspiratie. Het centrale begrip is weemoed. Op bijna elke bladzij duikt dit begrip op. Weemoed is verwant aan melancholie met dit verschil dat melancholie een strikt individueel begrip is en dat het bij weemoed gaat om een collectief gevoel: de hang naar wat verloren is gegaan. Na de bloeitijd van eerst de Byzantijnse periode en daarna het Osmaanse rijk heeft de neergang ingezet. Een hoofdstuk lang schetst Pamuk taferelen die illustratief zijn voor wat weemoed inhoudt. Dan gaat het om vaders die in achterbuurten met een plastic tas huiswaarts keren of om oude boekhandelaars die klappertandend van de kou zitten te wachten op een klant of om zeelieden die met een emmer water bij een desolate aanlegsteiger veerponten wassen. Verder zijn er de kapotte wippen in uitgestorven parken en is er de man die al tientallen jaren op dezelfde plek ansichtkaarten van de stad verkoopt. Het zijn mooie beelden. Bij de stad hoort ook het water van de Bosporus dat altijd prachtige panorama’s oplevert. Het tellen van de schepen is voor Pamuk een tweede natuur.

    Veel aandacht in het boek is er voor wat Westerse kunstenaars met Istanbul hebben gedaan: de schilder Melling en Franse schrijvers als Nerval en Flaubert. Hoe sterk Pamuk en het bourgeoismilieu ook verweven zijn met hun stad, er is altijd één oog gericht op het Westen. Istanbul is een kruising tussen Oost en West. Zo bestaat er ook een spanning tussen de seculiere staatsvorm en de sterk religieuze samenleving.

    De keuze voor het schrijversschap is niet van meet af aan evident. Pamuk leest weliswaar veel maar zijn artistieke voorkeur gaat eerst uit naar schilderen. Hij leeft zich uit in het portretteren van zijn eerste liefde, een meisje van wie de identiteit slechts gedeeltelijk onthuld wordt met de mededeling dat haar naam in het Perzisch zwarte roos betekent.

    De ouders van Pamuk beschouwen de ambitie om schilder te worden als een kansloze missie. In Turkije kun je daar niet van bestaan. Waarschijnlijk om diezelfde reden stuurt de vader van zwarte roos zijn dochter naar Zwitserland. Op zijn brieven heeft Pamuk nooit antwoord gekregen.

    Als het schilderen niet zijn beroep kan worden, kiest Pamuk voor architectuur als studie. In het slothoofdstuk is er een heftige woordenwisseling met zijn moeder. Zij zit weer eens vol ongeduld te wachten op haar man die vermoedelijk weer verpozing zoekt bij een maîtresse. Pamuk heeft laten weten dat hij met zijn studie wil stoppen. Zij probeert hem op andere gedachten te brengen. De laatste zin van het boek luidt. “Ik word schrijver.” In alle opzichten een bevredigend antwoord.

    Niet onvermeld mag blijven dat het boek rijkelijk is voorzien van foto’s. In stemmig zwart-wit geven die de woorden over de stad een extra lading. Het boek houdt op als Pamuk tweedejaars student is waardoor de weg open ligt voor herinneringen uit de periode daarna. Bij mij heeft Pamuk het verlangen gewekt om na lange tijd de kennismaking met Istanbul te hernieuwen. Een schrijver die dat weet te veroorzaken komt met recht een grote prijs toe. Overigens hoop ik dat de commissie in Zweden volgend jaar Haruki Murakami in overweging wil nemen als Nobelprijswinnaar. Ik ben nu al benieuwd hoe Mulisch zich daaruit redt.

Lijstjes

Deze auteur komt voor in de lijstjes: