Leesimpressies

  • Patrick Modiano: In het café van de verloren jeugd

  • Nr. 9 - 2009
  • Modiano werd op slag beroemd met zijn eerste boek De plaats van de ster. De auteur was pas 23. Het origineel verscheen in 1968, de Nederlandse vertaling vijf jaar later. In die tijd van verschijning heette de Place de Charles de Gaulle nog de Place d’Etoile. De openingszin stond als een huis: “In die tijd joeg ik er mijn Venezolaanse erfenis door.” Inmiddels zijn er twintig boeken van Modiano in het Nederlands vertaald en uitgebracht door drie verschillende uitgevers. Er ontbreekt ook nogal wat in vertaling. Er ontstaat een rommelig beeld zeker bij een schrijver wiens werk zo’n onderlinge verwantschap kent. Het laatste boek In het café van de verloren jeugd verscheen eind 2008 bij Querido, in veel opzichten een typische Modiano.

    Hoofdpersoon is de schoonheid Jacqueline, die in het café nabij het carrefour de l’Odéon door de vaste gasten Louki wordt gedoopt. Jacqueline fascineert de anderen zonder dat zij de kans krijgen tot haar door te dringen. De noot van de vertaler spreekt van ruim vijftig namen van personen en meer dan honderd topografische aanduidingen. In veel werk van Modiano vormt Parijs de eigenlijke hoofdpersoon met een voorliefde voor de uitvoering van de jaren zestig.

    In de boektitels wordt de topografische voorkeur zichtbaar: De ringboulevards, Verloren wijk, Villa Triste en De straat van de donkere winkels.


    Daar schuifelt weer een man met bruin haar en suède schoenen over de boulevards van Parijs


    Van al die personages laat Modiano er vier aan het woord. De eerste is een naamloze student mijnbouw. Voor hem is het café de leerschool voor het leven met Jacqueline als speciale trekpleister. Veel later komt de student nog even zijdelings ter sprake via de mededeling dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt. Herinneren is de favoriete manier waarop Modiano een verhaal ontvouwt. Mooi is in dit hoofdstuk hoe de student zijn geïmponeerdheid tot uitdrukking brengt via losse schetsen van de stamgasten die in wisselende samenstelling elkaars gezelschap zoeken. Er is een man, de kapitein genoemd, die van alle bezoekers de aankomst- en vertrektijden notuleert waar mogelijk aangevuld met de vermelding van hun woonplaats. De kapitein probeerde ‘de nachtvlinders te redden van de vergetelheid’.

    Een volgend sprekend personage is de man die zich presenteert als de uitgever van kunstboeken. In werkelijkheid is hij een privédetective die door de kortstondige echtgenoot van Jacqueline is ingeschakeld om haar op te sporen. Dat lukt hem en ook hij raakt gefascineerd. Hij blijft haar volgen maar verzuimt zijn opdrachtgever te informeren. Hij is zijn eigen opdrachtgever geworden.

    Dan is er Roland, de man met het bruine haar en suède schoenen. Hij heeft een poosje een verhouding met Jacqueline ook zonder echt tot haar door te dringen.

    Jacqueline komt zelf ook aan het woord. Het is de vraag of dat een gelukkige keuze is van Modiano. Zij vertelt een aantal gebeurtenissen uit haar leven die ook via een omweg tot de lezer komen. Deze technische kunstgreep doet afbreuk aan de raadselachtigheid die de andere personages ervaren zonder dat Jacqueline zelf nieuw licht werpt op de ontknoping die het boek aan het eind in petto heeft. Aldus voegt de bijdrage van Jacqueline weinig toe terwijl er genoeg figuranten in de coulissen stonden te trappelen met mogelijk een interessante zienswijze voor de lezer. Modiano is niet de man van doorwrochte plots. Zijn kracht is het om met sobere middelen een stemming van weemoed en vergeefsheid op te roepen. Woorden en topografische aanduidingen bezitten een suggestieve kracht. Personages zijn met dunne draden aan elkaar verbonden. Tijdelijk doen zij elkaars leven aan alvorens hun eenzaamheid voort te zetten. Het gaat om gemankeerde identiteiten grotendeels in nevelen gehuld. Maar daar is Modiano dan ook een meester in. In zijn boeken zijn er herinneringen en verlangens. Er is een verleden en soms een schim van een toekomst. Het heden is niet veel meer dan een koppelteken. Het is opmerkelijk dat een schrijver decennia lang die sfeer weet vast te houden, telkens in een nieuwe aflevering van circa 150 bladzijden.

    Zelfs de foto’s op de achterflap symboliseren een grote continuïteit. De Arbeiderspers blijft met één uitzondering, Zondagen in augustus, dezelfde foto afdrukken tot en met 1990. Modiano is op dat moment 45 maar de foto laat een pasfoto zien van een jonge man met een lege blik naar de camera. Daarna breekt een frivole periode aan die enkele boeken duurt. Het kader blijft de pasfoto maar begin negentiger jaren draagt Modiano soms een druk gedessineerd jasje en krijgt de hand een rol: onder de kin of tegen het voorhoofd. De laatste jaren keert de vastigheid terug. Nog steeds is de mond gesloten en vormen de lippen een streep. De haarlijn van het onverminderd donkere kapsel is geweken en de wangen bollen licht. De achterflap van In het café van de verloren jeugd laat dezelfde foto zien maar nu afgedrukt met herkenbare rimpels in het voorhoofd. Toch maakt de man herinneringen wakker aan die jonge schrijver uit de jaren zestig.

Lijstjes

Dit boek komt voor in de lijstjes: