Leesimpressies

  • Paul Scheffer: Het land van aankomst

  • Nr. 2 - 2008
  • Zelden zal een krantenartikel zoveel polemiek veroorzaakt hebben als dat over het multiculturele drama van Paul Scheffer. Het verscheen januari 2000 in NRC Handelsblad. De twin towers stonden nog overeind, Volkert en Mohammed waren nog geen bekende Nederlanders. Scheffer besprak het falen van de integratie en kreeg een lawine aan kritiek over zich heen. Man en bal werden gespeeld. De naam Scheffer was onlosmakelijk verbonden met een onderwerp. Een uitgebreide studie volgde. In oktober 2007 verscheen het vervolg. Als medium fungeerde dit keer niet de krant maar een lijvig boek. Ging het de vorige keer over het agenderen van het probleem, nu kwam ook de oplossing meer in het vizier. Hoe moet het verder met Nederland, voor zo veel mensen het land van aankomst.

    Scheffer stoelt zijn visie op uitvoerige verkenningen elders. Hij reisde, discussieerde en bestudeerde. Hij maakt vergelijkingen in de tijd. Wat kunnen we wel en niet leren uit de geschiedenis van klassieke immigratielanden als Amerika, Australië en Canada? Welke verschillen en overeenkomsten vallen er op in vergelijking met ons omringende landen als Duitsland, Engeland en Frankrijk? Een conclusie die zich opdringt, is dat bij integratie gewoonlijk drie fases zijn te onderkennen. Het eerste stadium bestaat uit ontkenning. De levens van migranten en oorspronkelijke bewoners mengen nauwelijks. Ieder leeft in eigen kring. Na het isolement ontstaat contact wat zich uit via conflict en concurrentie. De verschillen worden manifest en vragen om het nemen van stelling. Pas daarna komt het tot accommodatie en assimilatie. Nederland verkeert overduidelijk in de tweede fase. Het is onontkoombaar om daar een weg doorheen te zoeken.

    Scheffer bespreekt enkele mogelijke strategieën die zouden kunnen bijdragen aan een oplossing op hun houdbaarheid. In Nederland hebben we pas recent afscheid genomen van de verzuiling. Dat vormde een benadering waarbij verschillen van levensovertuiging beheersbaar bleven zonder te ontaarden in gewelddadige conflicten. De zuilen kenden een hiërarchische structuur met volgelingen die vertrouwden op het gezag van de voormannen. De leiders van de zuilen sloten al polderend compromissen. Werd extern tussen de zuilen overeenstemming bereikt, intern kreeg de emancipatie van de eigen groep gestalte. Tot de verschillen zo goed als weg geëvolueerd waren. Zou een nieuwe versie van het zuilenstelsel een succesvolle route naar integratie kunnen betekenen? Islamitische scholen zijn een concreet voorbeeld van de manifestatie van een nieuwe zuil. Scheffer wijst die benadering echter af. Er zijn grote verschillen tussen onze eigen verzuilde geschiedenis van toen en de positie van migranten nu. Zo wijst hij erop dat de zuilen uit het verleden weliswaar het verschil accentueerden maar dat deden onder een paraplu van gemeenschappelijkheid. Er was een gedeelde geschiedenis, we spraken één en dezelfde taal en onderschreven een bindende grondwet. Deze randvoorwaarden ontbreken nu waardoor een verzuilde koers geen integratie tot gevolg zal hebben.

    De door velen verwelkomde opvatting genaamd cultuurrelativisme is voor Scheffer evenmin een optie. Dat is een vrijblijvende houding die meer hoort bij vermijding dan bij contact. Cultuurrelativisme maskeert kritische notities onder de deken van gelijkwaardigheid. Daar gaat een conserverende werking vanuit die geen uitweg biedt uit de spanningsvolle relatie van dit moment. Uitdagender is het in de ogen van Scheffer om het universele met het lokale te verzoenen. We staan open naar de wereld en tegelijk is het eigene ons dierbaar. Onze geschiedenis is belangrijk niet als vorm van zelfverheerlijking maar als bron van zelfinzicht inclusief zelfkritiek als het de donkere bladzijden uit de koloniale periode betreft. Het is onredelijk om aan migranten hogere eisen te stellen dan we zelf bereid zijn waar te maken. De komst van migranten dwingt ons na te gaan wie we zelf zijn en wat we met onze samenleving willen. Zij die zich willen aansluiten, verdienen houvast bij het antwoord op de vraag waarbij dan wel. Onze zoektocht naar de eigen identiteit verloopt niet zo makkelijk. Er bestaat wel iets als een eigen identiteit maar het valt niet altijd mee die te benoemen. In ieder geval zijn er enkele fundamenten om te koesteren. Dan gaat het om de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid en de gelijkheid zowel tussen man en vrouw als tussen heteroseksuelen en homoseksuelen. Op dat punt behoren we geen krimp te geven. De boodschap naar iedereen luidt: het is een recht om een moskee of kerk te stichten maar evenzeer om godsdienst te bekritiseren.

    Alles van waarde moet zich verweren zegt Scheffer met verwijzing naar de beroemde dichtregel van Lucebert. Het is voor de toekomst wenselijk om elkaar niet langer te betitelen als allochtoon en autochtoon of als meerderheid en minderheid maar om op zoek te gaan naar een invulling van gedeeld burgerschap. Scheffer levert daarvoor, aangekleed met argumenten, een humane zienswijze. Hij poneert een visie van waaruit je beleid kunt ontwikkelen zonder zich te wagen aan gedetailleerde maatregelen. Dat is geen zwakte maar de kracht van dit boek. Het is te hopen dat politici die zich buigen over concrete beleidsmaatregelen ter bevordering van integratie de bagage van Scheffer in hun keuzes verwerken. Hij getuigt zowel van analytisch als van empathisch vermogen. Hoewel het onderwerp soms onvermijdelijk in abstracte bewoordingen voor het voetlicht komt, beschikt de auteur over een wellevende schrijfstijl. Vaak gebruikt hij de paradox als stijlfiguur alsof één Mulisch in een land niet volstaat. Desondanks is de kans aanwezig dat ik in de tweede week van januari mijn beste leeservaring op het terrein van non-fictie voor 2008 al achter de rug heb.