Leesimpressies

  • Richard Sennett: Stadsleven

  • Nr. 23 - 2019
  • Richard Sennett is een internationaal gelauwerde wetenschapper. Hij heeft aan diverse topuniversiteiten diverse leerstoelen bekleed. Uit ervaringen met eerder werk van hem is bij mij de indruk achtergebleven van een kokette man. Zijn laatste boek, dat als ondertitel een visie op de metropool van de toekomst heeft meegekregen, verleidde mij vanwege het onderwerp tot een hernieuwde kennismaking. Grote steden oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Waar zie je zo veel verschillende bevolkingsgroepen die bijna altijd vreedzaam zo veel verlokkingen delen: musea, theaters, boekwinkels, universiteiten, sportstadions, paarden op sokkels en schitterende kathedralen ter aanbidding van God of commercie. Ik hoopte dat Sennett niet weer zou beginnen over de vriendschappelijke band met zijn Japanse pianostemmer. De grijnzende afbeelding op de achterflap van de pijp rokende auteur neemt die zorg niet helemaal weg. Het duurt tot bladzijde 364 voor de lezer getrakteerd wordt op een gesprekje in Berlijn met de manager van een muziekhandel in het duurdere segment voorzien van de typische Sennett toevoeging dat zij een amateurfagottiste is. Enkele regels eerder lezen we een verklaring waarom tussen de 25 en 30 procent van de mensen in steden van boven de 2 miljoen inwoners alleenstaand is. Dat komt doordat ouderen langer leven. Zo, die zit.

    In tegenstelling tot wat de ondertitel suggereert gaat het boek meer over het verleden van de metropool dan over de toekomst. Uitgangspunt van Sennett is het onderscheid tussen de stad als fysieke plaats en de stad als mentaliteit. Het gaat om de wisselwerking tussen ville en cité. De historische schetsen, bijvoorbeeld over het waarom van de Haussmann boulevards in Parijs of het oogmerk van Central Park in New York, zijn informatief van opzet. Het gaat echter mis als Sennett de lezer overvoert met zijn eigen commentaar. Hij springt van de hak op de tak en citeert de ene autoriteit na de andere. Sennett reist de hele wereld over om uit de eerste hand verslag te doen van zijn bevindingen. De gang van zaken is als volgt. Hij neemt als uitgangspunt iets triviaals, houdt daarover een opgeblazen betoog en rondt af met het plakken van een wetenschappelijk klinkend etiket ontleend aan een denker uit de canon van de filosofie. Alsof een dergelijk label iets bijdraagt aan een inzicht. Een bezoek aan Medellin is vintage Sennett. Hand in hand met een achtjarige jongen die als gids fungeert tijdens een excursie volgt een heel verhaal over het waarnemen van onverwachte geluiden in een onbekende omgeving. Net als je vreest dat onze geleerde misschien bekneld raakt in een vuurgevecht tussen de drugsmaffia en een corrupt politiepeloton blijkt het te gaan om het gerinkel van een ijscokar. Tijdens het zelfde werkbezoek krijgt hij van een jeugdige bibliothecaresse in opleiding de vraag voorgelegd op welke tijden men in New York siësta houdt. Er volgt een bladzijden durende interpretatie van de vraag. In de geest van Sennett zou je kunnen zeggen dat het hier gaat om wat professor X een empathische deviatie noemt al schroomt professor Y niet om dit te kwalificeren als over juveniele ignobiliteit. Sennett besluit de verdere opleider van de vragensteller financieel te ondersteunen. Professor Charitas zou dit wel eens kunnen rangschikken onder exhibitionistisch sponsorisme.

    Als we het hebben over de informele conversatie zelf, zou de expert in open systemen een verklaring kunnen bieden voor de wisselingen van onderwerp,, die hij zou aanmerken met de technische term ‘niet-lineaire padafhankelijkheden’, een term die een stuk verteerbaarder wordt als we hem uitleggen met behulp van een voorwerp in plaats van een gesprek


    Een sleutelscene in het boek is te vinden in een gesprek met Janee Jacobs, een activistische stadsplanner, die zich een leven lang sterk heeft gemaakt voor de leefbaarheid van gemengde wijken. Jacobs en Sennett ruziën graag of het nu in een café in Greenwich Village of in Toronto is over hun vakgebied. Misschien gaf irritatie over zijn wijsneuzigheid de doorslag maar hoe dan ook, zij legt hem de volgende vraag voor: hoe zou jij het dan doen? Sennett zal die vraag in het boek dikwijls herhalen. En ja, hij gaat zich met de praktijk bezig houden. Bescheiden, uiteraard. Parttime, vanzelfsprekend. Sennett bespreekt projecten onder meer in Chicago en New York waar hij bemoeienis mee heeft gehad. Zij resulteren allemaal in een fiasco. Allicht, denk ik nu. Je krijgt als lezer nauwelijks een beeld waar hij concreet voor staat. Alles blijft hangen in gezwollen abstracties. Hooguit wordt duidelijk dat hij scheutig met plastic bankjes wil strooien in de nabijheid van oude gebouwen. Liefst felgekleurde plastic bankjes.
    Het lezen van Sennett roept aanvankelijk verbazing op, vervolgens ergernis en werkt tenslotte op de lachspieren. De vraag dringt zich op hoe het mogelijk is dat deze man zo’n enorme reputatie heeft weten te vestigen. Hij heeft immers kunnen zegevieren in het krachtenveld van de internationale competitie tussen topuniversiteiten, normaliter een broedplaats van kinnesinne. Vermoedelijk is Sennett in de dagelijkse omgang een aimabele man. Contactuele lenigheid en handigheid zijn waardevolle bondgenoten. Zijn vaagheid kan zich als een kracht manifesteren. Omdat onduidelijk blijft wat hij precies bedoelt, is zijn gedachtegoed niet eenvoudig te weerleggen. Zijn belezenheid staat niet ter discussie. Sennett vertoont alle kenmerken van de omgevallen boekenkast. Bovendien zal in zijn voordeel werken dat hij ruimhartig allerlei politiek correcte noties in zijn werk verstopt. De open stad is beter dan de gesloten stad, kosmopolitisme is wenselijk en compassie met de migrant gepast, liever bottom up dan top down, coproductie is te verkiezen boven inspraak, kleinschalig is beter dan grootschalig enz enz. Er lijkt mij veel voor te zeggen om aan al het wetenschappelijke eerbetoon een eredoctoraat in de poehakunde toe te voegen. Ik kon het niet laten om het op de voorkant afgedrukte citaat uit de Volkskrant bij de bron te raadplegen: een weergaloos boek, opgesierd met vijf sterren. Tegen de recensente zou ik de woorden van de bijna vergeten denker Herman Kuiphof in herinnering willen roepen toen hij in 1974 verzuchtte: zijn we er toch ingetuind.