Leesimpressies

  • Roanne van Voorst: Jullie zijn anders als ons

  • Nr. 40 - 2010
  • Het nieuwe kabinet poseerde op het bordes van Huis ten Bosch. De eerste en laatste dag om te glunderen. Straks blijkt in de ministerraad dat verdere bezuinigingen nodig zijn en voor het eerst kijken de collega’s met warme belangstelling jouw kant op. De Kamer maakt bezwaren tegen je belangrijkste voorstel, bedoeld om de geschiedenisboekjes te halen. De media eisen je visie in twee zinnen of in twintig seconden. Deskundigen uit de wetenschap en het maatschappelijk veld betogen dat je maatregelen niet zullen werken. Je eigen partij klaagt over een te flets profiel en de partijvoorzitter beweert dat je geen kanjer in communicatie bent. De roddelbladen duiken in je verleden en heden. Voor je het weet zijn je vuilniszakken hoofdgast in een talkshow. Wist u dat de jonge Maxime naar monseigneur Gijsen stond te kijken juist op het moment dat die naar een masturberende pupil keek? Het gezin merkt op dat je nooit thuis bent maar lijkt daar niet zwaar aan te tillen. Hoe is het mogelijk dat er binnen een paar dagen voldoende kandidaten zijn te vinden die de hondenbaan van minister willen vervullen? Dit kabinet heeft nog als extra handicap dat het elk moment door blonde Geert kan worden opgeroepen. Of de minister aannemelijk kan maken dat hij, ondanks vroegere uitlatingen, best een hekel aan moslims heeft. Integratie vraagt om een harde aanpak.

    Roanne van Voorst, een jonge journalist en antropoloog, heeft net een boek gepubliceerd dat een realistische kijk wil leveren op de mate van integratie van jonge allochtonen in de Nederlandse samenleving. Jong is in dit geval tussen de vijftien en vijfendertig. Voor een omschrijving van het begrip allochtoon baseert de auteur zich op de gebruikelijke definitie in de overheidsstatistieken namelijk dat het gaat om ‘inkomende landverhuizers’van wie tenminste één ouder in het buitenland is geboren. Zij geeft de mensen, waar vuistdikke rapporten over worden geschreven, zelf een stem. De hier meest voorkomende bevolkingsgroepen, van Surinamers tot Polen, komen elk in een eigen hoofdstuk aan bod. Daar gaat een beschouwing aan vooraf waarin mogelijke verklaringen, waarom integratie moeizaam verloopt, bespreking krijgen. Een allegaartje aan opvattingen komt voorbij. De taalachterstand komt aan bod net als het geringe contact tussen autochtonen en allochtonen. Een mogelijke verklaring vormt het grote verschil in cultureel of in sociaaleconomisch opzicht bijvoorbeeld vanwege gebroken gezinnen en leven in achterstandwijken. Misschien is migratie uit zichzelf al zo’n ingrijpende en traumatiserende stap dat een leven daarna moeilijk op de rails komt. Dan is er ook nog de verklaring die de oorzaak legt bij transnationalisme. Door intensief contact te onderhouden met het land van herkomst, denk aan familiebezoek en het gebruik van moderne communicatiemiddelen, worden nieuwkomers nooit echt lid van de ontvangende samenleving. Sommige verklaringen benadrukken een verschillend facet en vullen elkaar aan maar andere verklaringen spreken elkaar ronduit tegen. Integratie zit ingewikkelder in elkaar dan sommige krantenkoppen beloven.


    Liefst 93% van de Surinaamse Nederlanders geeft aan zich in Nederland thuis te voelen tegenover 86% van de Nederlandse Nederlanders


    Er bestaat de nodige hypocrisie in het debat over integratie. Nieuwkomers dienen de taal te leren en zich te mengen met autochtonen op de werkvloer, in de sportclub enzovoort. De groep die zich misschien wel het minst mengt in de Nederlandse samenleving zijn echter de Chinezen. Toch wordt daar nooit over gerept. Er zijn geen kut-Chineesjes die voor overlast zorgen en daarom stoort niemand zich aan hun afzijdigheid. Marokkaanse-Nederlanders krijgen die afzijdigheid echter wel voor de voeten geworpen.

    Van Voorst laat verder zien dat de opvatting dat de tijd bij integratie alle wonden heelt niet altijd opgaat. De Molukse bevolkingsgroep en bij hen is inmiddels sprake van de derde generatie illustreert dat. Nog steeds wonen veel Molukkers geïsoleerd in eigen woonwijken. Over hen laten indicatoren als schooluitval en positie op de arbeidsmarkt een alarmerend beeld zien.

    In elk hoofdstuk komen enkele representanten van een bevolkingsgroep zelf aan het woord. Dat zijn echter in grote meerderheid jongeren die hun draai in Nederland hebben weten te vinden. Het was informatief geweest als het geluid van jongeren die in de fout gaan meer naar voren was gekomen. Integratie is een ingewikkeld vraagstuk. Van Voorst bestrijdt de opvatting dat de oorzaak van de problemen, die sommige Marokkaanse-Nederlanders veroorzaken, op het conto van cultuur of religie is te plaatsen. De islam als boosdoener bestempelen is een te makkelijke weg. Voor haar speelt de straatcultuur als verklaring een veel dominantere rol. Aan het antwoord op de vraag waarom juist deze groep zich zo sterk voelt aangesproken tot de straatcultuur komt het boek niet toe.

    Ondanks alle verschillen geldt voor alle allochtonen dat er een sterke emotionele verbondenheid met het land van herkomst blijft. Vaak merken zij pas bij een vakantiebezoek hoe sterk zij, soms tot eigen verrassing, verhollandst zijn. Roanne van Voorst doet aan het eind van haar boek enkele suggesties ter bevordering van de integratie. Daar zitten geen toverformules tussen. Het boek bevat voor de geoefende krantenlezer weinig nieuwe gezichtspunten. Wel heeft zij een sympathieke poging gedaan om de menselijke maat en de nuance meer plek in het debat te geven.