Leesimpressies

  • Rob Wijnberg: En mijn tafelheer is Plato

  • Nr. 12 - 2011
  • De boeken van Rob Wijnberg bleven bij mij tot dusver ongelezen. Hij was mij bekend als aanstormende jongere via zijn optreden in de media. Daar draaien oude mastodonten een onuitputtelijke voorraad nieuwe gezichten door zoals dat van Wijnberg. Onlangs attendeerden twee bronnen, onafhankelijk van elkaar, mij op En mijn tafelheer is Plato. Ik geloof op voorhand dat een intelligente jonge vent in staat is om zich veel filosofische kennis eigen te maken. Maar kan een twintiger die kennis ook met een scherpzinnige pen omzetten in wijsheid en inzicht met relevantie voor de actualiteit van nu? Na lezing is mijn reactie volmondig ja. Wijnberg is een groot talent in het uiteenrafelen van ingewikkelde vraagstukken. Hij past inzichten van grote denkers toe op een manier die niet uitsluitend leidt tot onderdompeling in het moeras van de nuance. Vaak komt Wijnberg tot categorische uitspraken maar wel op basis van argumenten. Hij neemt de lezer mee langs een route die de plek van bestemming iets vanzelfsprekends weet te geven. Het zijn niet alleen filosofen die hij te hulp roept. Empirisch ingestelde wetenschappers zorgen net zo goed voor munitie.

    Het is niet de ambitie van Wijnberg om de universitaire filosofie te verrijken met nieuwe mijlpalen. Het gaat hem erom iets toe te voegen aan de dagelijkse actualiteit. In opvattingen van mensen zitten vaak restanten verscholen van aan de filosofie ontleende inzichten. Wijnberg wil die context zichtbaar maken. Aanleiding voor dat streven is de ergernis die de politiek en de media bij hem te weeg brengen. Een treurig voorbeeld vormt de verkiezingsstrijd uit 2010. In debatten op de televisie is geen enkele ruimte om achterliggende visies te vergelijken die ten grondslag liggen aan de standpunten van de politici. Het format biedt daartoe geen ruimte. Presentatoren van praatprogramma’s lijden onder de dictatuur van het oortje dat een volgend archieffragment gebiedt. Tevoren uitgezocht door de redactie ongeacht wat de gasten zullen melden. De titel van het boek refereert aan het programma De Wereld Draait Door, een programma dat behoort tot de grootste kijkcijferkanonnen van de Nederlandse televisie. Wijnberg was daarin te gast en betoogde dat de kredietcrisis niet bestond. Matthijs van Nieuwkerk, de charmante presentator met een grote verbale lenigheid onderbrak Wijnberg met de vraag: ‘wordt het een lang college?’ Deze interventie vond plaats na 31 seconden. Praatprogramma’s op de televisie voegen weinig toe aan het nieuws. Ze zijn een broedplaats voor meningen, liefst met aplomb gelanceerd. Daar zijn de gasten op geselecteerd. Daarom droomt Wijnberg van de aankondiging door de presentator: en mijn tafelheer is Plato.


    Wijnberg brengt de filosofie overal waar ze is, het alledaagse leven, en verbindt haar met een academische bron, de boekenkast in de filosofiebibliotheek


    Omdat het aangrijpingspunt van Wijnberg de actualiteit is, komt in zijn boek een veelheid aan onderwerpen ter sprake. Die zijn overzichtelijk gerangschikt. Het boek bestaat uit tien thema’s die in gemiddeld vijf artikelen van vijf bladzijden behandeling krijgen. Wiskundige trekjes zijn geoorloofd voor een filosoof.

    De thema’s zijn herkenbaar voor het Nederland van nu. Islam en Wilders zijn onontkoombaar. Het proces tegen Wilders begon in de ogen van Wijnberg met een schending van de trias politica. De opdracht tot vervolging door het Amsterdamse gerechtshof heeft de rechterlijke macht op de voorgrond van de politieke discussie geplaatst wat haar plek niet is. Gewoonlijk ligt het initiatief tot een rechtszaak bij het OM of een eisende partij. Nu zijn er wel klagers geweest die hebben aangedrongen op de vervolging van Wilders. Zij verwijten Wilders dat hij haat zaait en alle moslims over een kam scheert. Zij vinden dat de ene moslim de andere niet is. Maar waarom dan klagen over groepsbelediging als je vindt dat die groep niet bestaat? Wijnberg gaat verder in op het verweer dat Wilders niets tegen moslims heeft maar alleen tegen de islam. Een ideologie berokkent op zichzelf echter geen enkele schade. Het is pas de ideologie in uitvoering die voor ellende zorgt. En daar zijn mensen voor nodig. Het is daarom erg gekunsteld om een onderscheid tussen ideologie en aanhang te maken. De aanhang presenteert de rekening. Een opmerkelijk punt uit het vonnis, maar toen lag het boek al in de winkel, is het standpunt dat een politicus meer vrijheid van meningsuiting heeft dan een gewone burger. Waarom is dat eigenlijk? Is in een democratie niet het volk of de burger het ultieme orgaan. Op praktische gronden kennen we een stelsel van representatie. Maar de politicus kan toch als mandaatontvanger niet meer rechten hebben dan waarover de burger als mandaatgever beschikt.

    Wijnberg is niet altijd even zorgvuldig met het vermelden van zijn bronnen. De suggestieve passage ‘uit recent onderzoek blijkt’ vloeit hem uit de pen zonder dat man en paard genoemd worden. Gelukkig staan daar de namen van vele boeken en auteurs tegenover. Als ik meer wil weten over de opvatting dat terrorisme niet opbloeit vanwege religieus fanatisme of armoede maar door een oververtegenwoordiging van mannen tussen de 15 en 29 jaar, moet ik terecht bij de Poolse socioloog Heinsohn. Wie benieuwd is aan welke zes criteria een goede spijtbetuiging dient te voldoen, vindt het antwoord bij de Amerikaanse filosoof Nick Smith. Wijnberg opent deuren naar denkers. Ook daarom verdient hij een groot lezerspubliek.