Leesimpressies

  • Roger Angell: Let me finish

  • Nr. 22 - 2010
  • Van Roger Angell las ik wel eens een stuk in The New Yorker. Zijn bewondering voor het werk van John Updike en zijn passie voor honkbal trokken mijn aandacht. Toen ik van zijn autobiografie vernam, wilde ik die lezen. Zo kwam ik terecht bij Let me finish uit 2006. Angell is in Nederland nauwelijks bekend en zijn autobiografie heeft hier misschien wel nimmer het schap van een boekwinkel opgefleurd. Gelukkig is er het wonder van internet waardoor de eigen huiskamer verbinding kan maken met andere continenten. Daarom kan ik nu concluderen dat elke kwaliteitsboekhandel deze autobiografie op voorraad behoort te hebben. Roger Angell heeft een boeiend leven geleid dat als tussenstand nu 89 jaar omvat en hij beschikt bovendien over de gave van het woord. Over welk onderwerp hij ook zijn licht laat schijnen, de stijl is altijd even elegant.

    Het leven van Roger Angell loopt grotendeels parallel met dat van het tijdschrift The New Yorker. Vanaf 1944 leverde hij bijdragen aan het blad en in 1956 kwam hij er in dienst. Ook zijn moeder Katharine White was er redacteur en zijn stiefvader, de schrijver E.B White, was er hoofdredacteur. Het boek opent met een uitstapje per auto als Roger zeven of acht jaar oud is. Moeder Katharine is nog getrouwd met de vader van Roger, de advocaat Ernest Angell. Moeder en haar collega van het werk maken een uitstapje in een Franklin sedan. Het is de voorbode van het huwelijkseinde. De auto valt stil met pech. Het uitstapje wordt niet verder beschreven, de herinnering stokt. In plaats daarvan volgt er een opsomming welke auto’s zijn moeder en stiefvader in de loop der jaren allemaal wel niet tot hun beschikking kregen. Van Plymouth naar Buick naar Pontiac. Na de scheiding bleef Roger, aanvankelijk tegen zijn zin, bij zijn vader wonen. Angell heeft er een hekel aan om ingrijpende gebeurtenissen uit te vergroten. Liever verpakt hij zijn emoties in omlijstende beschouwingen. De sfeertekening vertelt het verhaal.


    The title of this book should only evoke a garrulous gent at the end of the table holding up one hand while he tries to remember the great last line of his monologue


    Hoewel Roger stamt uit een bevoorrecht milieu is hij door de huiselijke omstandigheden ook een eenzaam jongetje. Opgroeien in New York biedt een veelheid aan verlokkingen. Gulzig als hij is, geeft hij zich over aan zijn interesses. Amper een tiener kende hij de slagvolgorde van de Detroit Tigers uit zijn hoofd, net als de namen van de ministers uit het eerste kabinet van F.D. Roosevelt. Dagelijks kwamen er vier kranten aan huis. Als jongetje spijbelde Roger een paar keer in de week om in de bioscoop de films van zijn voorkeur te zien.

    Angell heeft meer memoires dan een autobiografie geschreven. Er is geen sprake van een chronologische levensloop. In afzonderlijke hoofdstukken staan beschouwingen over gebeurtenissen in zijn leven, nu eens uit de privésfeer dan weer uit zijn werkzame leven. Bijzonder is het hoofdstuk Andy gewijd aan zijn stiefvader. Meer dan zestig jaar onderhield hij met hem een nauwe band. Het levert een aangrijpend portret op. De man was zeer begaafd maar panisch voor sociale verplichtingen. Hij zag er zelfs van af om uit handen van Lyndon Johnson de hem toegekende Presidential Medal of Freedom in ontvangst te nemen. Roger typeerde zijn stiefvader tijdens diens uitvaartdienst als volgt: “if Andy White could be with us today he would not be with us today”.

    Meer dan tienduizend ochtenden toog Roger Angell aan het werk bij zijn favoriete tijdschrift The New Yorker of zoals het blad liefkozend werd genoemd The Comic Weekly. Hij schreef er zelf voor en stond als redacteur fictie andere schrijvers met raad en daad ter zijde. Uit de latere jaren zijn William Trevor, Alice Munro en John Updike vertrouwde namen. Vele beroemdheden hebben een plaatsje in het boek gekregen. Namedropping leidt nergens tot snobisme. Het is eerder met achteloosheid dat zij in het levensverhaal van Angell voorbijtrekken. Dat levert vaak mooie omschrijvingen op. W. Somerset Maugham krijgt de volgende karakterisering. “With his skimpy, slicked-back hair and heavily lidded eyes, he suggested a Galapagos tortoise, wise and of immense age.” Bij de moeder van een jeugdvriend spreekt Angell over een air of affectionate reserve. Het hele boek is er iemand aan het woord die met passende details grote emoties weet te hanteren, zeker als het om tragische episodes gaat. Loss is the common currency of family tales, noemt hij dat zelf. Pas op latere leeftijd is Angell aan zijn herinneringen toegekomen. Iemand met zo’n vitaliteit kan na zijn negentigste jaar misschien nog een vervolg het licht doen zien. Ondertussen heb ik Game time besteld, een bundeling van zijn beste stukken over honkbal. Die zullen ongetwijfeld ook prachtig zijn. Dat kun je aan een late Red Sox bekeerling wel toevertrouwen.