Leesimpressies

  • Roger Martin du Gard: Het oude Frankrijk

  • Nr. 23 - 2010
  • Ik verbleef in Saint-Marcel. In Frankrijk zijn er verschillende plaatsen met die naam. Dat moet gepasseerd zijn op die vrijdagmiddag toen Parijs de teugels wat liet vieren. Mijn Saint-Marcel ligt in het departement Eure vlakbij de tuinen van Giverny waar Claude Monet inspiratie vond. Mee op reis, vanwege de afzegging door Arnon Grunberg, waren een roman van Roger Martin du Gard en dagboeken van Andre Gide. Beide schrijvers waren hecht bevriend. In mijn koffer konden zij hun goede betrekkingen continueren. Martin du Gard schetst in Het oude Frankrijk het dorpsleven van weleer aan de hand van de postbode, monsieur Joigneau. We volgen hem een etmaal bij zijn rondgang door het dorp.

    Buiten de deur begint de werkdag van de postbode met de tocht naar het station. De trein levert een postzak met een hangslot af. Het station is de plek voor het eerste kletspraatje van de dag. Spoorwegwerker Flamart probeert Joigneau voor zijn karretje te spannen, de rode draad door de dag. De postbode komt overal en weet veel. Hij kan sonderen of een verborgen wens van deze of gene kans op vervulling heeft. Joigneau laat zich die rol graag aanmeten. Het vooruitzicht op een extra zakcentje gloort. Heeft hij vanwege zijn functie al een voorsprong als informatiebron, Joigneau bouwt zijn positie verder uit door enveloppen open te stomen en de post bestemd voor zijn dorpsgenoten te lezen. Achter de kalme gemoedelijkheid van het platteland verschuilt zich benepen eigenbelang. Wie heeft er nu niet een oogje op de wijngaard of de vrouw van een ander. Mijnheer pastoor heeft zich neergelegd bij de lethargie van de bewoners. Enkele decennia terug verscheen hij als gedreven apostel. Zijn nieuwe passie is tuinieren in de moestuin. Zijn zuster bekommert zich om de kerkklokken.


    Het bleek onmogelijk om de zielen van deze kleingeestige profiteurs ook maar ergens warm voor te krijgen


    In amper 120 bladzijden maken tientallen dorpelingen hun opwachting. In korte hoofdstukjes voeren zij hun danspasjes op. We treffen de bakker, de kroegbaas, de onderwijzer, de kapper, de burgemeester, de wagenmaker en natuurlijk het onvermijdelijke zigeunermeisje. Niemand heeft projectcoördinator op zijn visitekaartje staan. Niemand heeft trouwens een visitekaartje omdat je iedereen kent die je moet kennen en iedereen jou kent. Onbekenden bestaan niet. Behalve vanwege minder nobele persoonlijke motieven loopt er ook een politiek schisma door het dorp. Aan de ene kant is er de kongsi van kerk en kapitaal en aan de andere kant is er het broeinest van het socialisme. Rechts verzamelt zich in de kapperszaak, links heeft de kroeg als uitvalsbasis. Als Joigneau zijn ronde door het dorp maakt, weet hij bij elke tussenstop een glaasje te bemachtigen. Martin de Gard schetst een wereld die door de tijd is ingehaald. Wie zou terug willen naar zo veel kleinheid waar alles overzichtelijk oogt maar niets is wat het lijkt. Voor de een geldt dat achter het militaire voorkomen, achter die façade van man-van-de-daad, slechts een babbelkont huist. Op de ander is van toepassing dat de gezellige babbelaar thuis slechts een botte zwijger blijkt te zijn. In het dorp lijkt iedereen oud. In een hoofdstuk komt de jeugd aan bod. Zij dromen van een toekomst elders. Je proeft aan alles dat de meesten zullen blijven en moeiteloos in de voetsporen van hun ouders zullen treden.

    Martin du Gard schetst een weinig verheffende miniwereld waarbij de personages niet de gelegenheid krijgen om buiten hun karikaturale afmetingen te treden. De dorpspostbode is een cliché in de Franse cultuur. Jacques Tati gebruikt ook al een postbode als centrale personage in zijn film Jour de fête. Een paar jaar terug raakte Bienvenue chez les Chi’tis een gevoelige snaar in Frankrijk. Sommige scenes daaruit lijken rechtstreeks ontleend aan de roman Het oude Frankrijk, zoals de ongelijke strijd met de alcohol in de loop van de dag. Busladingen vol toeristen bezochten het dorp waar het verhaal gefilmd was. Het lijkt een mierzoete vorm van nostalgie die hier in het spel is. Dan kon een ander boek van Roger Martin du Gard mij meer bekoren. In de novelle De verdrinking schreef hij met verrassende openhartigheid over het onderwerp homoseksualiteit. Tot voor kort was er van Martin du Gard, die leefde van 1881 tot 1958, geen boek in het Nederlands verschenen. Maarten ’t Hart, een groot liefhebber van zijn werk, noemt dat onbegrijpelijk zeker omdat hij veel toegankelijker is dan tijdgenoot Marcel Proust voor wie in Nederland altijd veel aandacht is geweest. Dat lijkt me een terechte constatering. Martin du Gard schrijft helder proza dat een grote geladenheid in zich bergt. Hij zegt meer dan wat hij onder woorden brengt. Dat is absoluut een uiting van vakmanschap al is Het oude Frankrijk daar niet het meest overtuigende bewijs van. Zijn werk heeft gelukkig meer te bieden. In de dagboeken van Andre Gide kwam ik na een ontmoeting in 1933 met Roger Martin du Gard de volgende passage tegen: vruchtbaar gesprek zoals altijd.