Leesimpressies

  • Rudy Kousbroek: Restjes Anathema’s 9

  • Nr. 24 - 2010
  • Op 4 april overleed Rudy Kousbroek. Kort daarvoor verscheen nog een nieuw boek van hem, deel negen in de reeks anathema’s. Onnodig badinerend begon de titel met het woord restjes. Deze laatste bundeling bij leven is echter vintage Kousbroek. Alle vertrouwde thema’s komen aan bod. Wie onbekend is met zijn werk krijgt door dit boek een uitstekende indruk waar Kousbroek als schrijver voor stond. Wat hem sterk typeert is die bijzondere combinatie van kritische rationalist om niet te zeggen Verlichtingsfundamentalist naast een enorme sensitiviteit voor emoties die geuren, smaken en herinneringen weten op te roepen. Dan is er nog zijn aaibare band met de dierenwereld. De gevoelsmens schiet gauw vol misschien wel erg snel en erg vaak. Daar staat veel tegenover. Kousbroek kan enthousiasmerend schrijven over de diversiteit aan onderwerpen waar zijn belangstelling naar uitgaat. De ruim dertig, veelal korte, hoofdstukken getuigen daarvan. Hoewel veel dierbaars onomkeerbaar is zoek geraakt, blijft hij tegen de verdrukking in geloven in de vooruitgang. Wat had het allemaal niet nog schitterender kunnen zijn.

    Het boek opent direct al met een oefening in nostalgie. De ondertitel van het openingsverhaal luidt ‘De eeuw van mijn moeder’. Die moeder werd geboren in het jaar 1900 en overleed in 1998. Gangbare zaken verdwenen in haar leven zoals huispersoneel, stoomtreinen, trapnaaimachines en zes postbestellingen per dag. Ze heeft het debuut meegemaakt van vliegtuigen, radio, film, televisie, gemengd zwemmen en ouderdomspensioen. De twintigste eeuw heeft enorme veranderingen te weeg gebracht tussen twee wereldoorlogen door. Even later meldt Kousbroek hoe de Indonesische restaurants hopeloos zijn verhollandst met als verklarend mechanisme onze zuinigheid. Als de consument het verschil toch niet merkt, is het verleidelijk voor de restaurateur om goedkopere varianten te serveren. Waar maakt de gekookte bladgroente kangkoeng nog deel uit van de gado-gado? Ook dat is Kousbroek. Nederland vormt een bevoorrecht stukje van de aardbol maar tegenover Indonesië of Frankrijk schieten we altijd tekort. Tegen het eind volgt een hoofdstuk over de geur van Frankrijk. Karakteristiek is het boudoir van de conciërge met een aroma van een vleugje bezemkast. Net als de muffe lucht van de metro, die je op straat opeens kon treffen bij het passeren van een metrorooster. Zelfs in het voortreffelijke Frankrijk is veel waardevols verdwenen.


    Met Hermans, Kousbroek en Van het Reve heeft Nederland drie onvermoeibare strijders tegen het obscurantisme verloren


    Flink wat hoofdstukken zijn gewijd aan bewonderde schrijvers. De Russen Nabokov en Toergenjev komen aan bod evenals de Fransen Hugo en Stendhal. Er is een hoofdstuk dat begint met een eerbetoon aan Stendhal en geleidelijk overgaat in een lofzang op Viagra. De veelzijdigheid van Kousbroek is lastig te stoppen. Zijn belangstelling voor techniek en wetenschap blijft evenmin als licht onder de korenmaat.

    Het proza van Karel van het Reve wordt uitvoerig geprezen. Zijn Geschiedenis van de Russische literatuur heeft Kousbroek zo’n 25 jaar onder handbereik gehad. Diens dwarse nuchterheid en superieure humor vormden vaste bakens. Het voorlaatste boek van Kousbroek bevatte de briefwisseling met Willem Frederik Hermans. Dat brengt mij tot de constatering dat Hermans, van het Reve en Kousbroek, drie nimmer versagende strijders tegen het veelkoppig monster van het obscurantisme, niet meer onder ons zijn. Dat is pas echt een verlies voor Nederland.

    Een boeiend hoofdstuk heet “Verloren”. Kousbroek heeft een speciale antenne om ontwikkelingen te signaleren die nauwelijks benoembaar zijn. Dat speelt bijvoorbeeld met vertalingen uit culturen die sterk verschillen van de onze zoals de Japanse. Taalkundig juist maar desondanks vervreemdend. Zelfs binnen een cultuur kan een verandering tegelijk ingrijpend en sluimerend zijn. Volgens Kousbroek is het effect van de roman De avonden onder meer zo groot geweest omdat daarin de overgang tussen twee tijdperken is belichaamd. Zijn redenering is dat onze omgangsvormen, onder meer blijkend in uiterlijkheden, zijn gewijzigd alsof het een paradigmawisseling betrof. Hij signaleert dat mensen andere gezichten trekken door veranderingen in welvaart, godsdienst, standsverschil en de verhouding tussen de geslachten. De jolige plechtstatigheid van het bioscoopjournaal staat model voor de oude wereld. Je zou daar de gewijzigde verhouding tussen de generaties aan toe kunnen voegen. Vroeger had je verschillende gezichtsuitdrukkingen voor aan de ene kant ‘het gezag en het gevulde vlees’ met als keerzijde ‘de onderwerping en de schrale voeding’. De onderdanigheid van vroeger is overgegaan in verongelijktheid. Kousbroek merkt de ontwikkeling op zonder die te verklaren. Het ligt voor de hand om de onderwijsexplosie en de komst van de televisie die bestaande scheidslijnen wist te doorbreken daarop van grote invloed zijn geweest.

    Het lezen van Kousbroek blijft een stimulerende bezigheid. Zijn hang naar sentimentaliteit neem je op de koop toe. Zijn boektitel Een kuil om snikkend in te vallen is illustratief. In Restjes Anathema’s 9 is er op de bladzijden 44, 135, 175, 181 en 190 een verwijzing naar het plengen van tranen door de auteur. Dat was me eerder opgevallen bij de teksten in het fotoboek Opgespoorde wonderen uit 2003. Misschien een verzetsdaad op weg naar het onherroepelijke einde?