Leesimpressies

  • Theodore Dalrymple: Our culture what’s left of it

  • Nr. 12 - 2008
  • Sinds zijn boek Life at the bottom, vertaald als Leven aan de onderkant, staat de Engelse psychiater Theodore Dalrymple bekend als een scherp criticus van de verzorgingsstaat. Enkele maanden terug was hij te gast in het televisieprogramma Buitenhof. Hij wees toen op het verschijnsel dat migranten die eerst in hun land van herkomst de moed opbrengen om alle schepen achter zich te verbranden in het land van aankomst snel het risico lopen in lethargie te vervallen. Hij haastte zich te melden niets tegen asielzoekers in het algemeen te hebben. Sterker nog hij was de zoon van een asielzoeker. Zijn moeder ontvluchtte Nazi Duitsland kort voor de oorlog. Op de vraag van de interviewer of zij toen door de overheid was opgevangen luidde zijn antwoord: “Gelukkig niet, want dan zou ze nu nog in een vluchtelingenkamp hebben gezeten.” Die uitspraak geeft in een notendop zijn visie weer. Overheden bereiken met de beste bedoelingen vaak de slechtste resultaten.


    Dalrymple heeft in Our culture, what’s left of it 26 essays gebundeld. Het boek is verdeeld in twee categorieën waartussen de scheidslijn overigens dun is: het eerste deel heet arts and letters, het tweede society and politics. Alle stukken ademen de kritische en eigenzinnige manier van redeneren die Dalrymple eigen is. In eigen land geldt hij als zeer omstreden. En daar heeft hij het dan ook wel naar gemaakt. Voortdurend geeft hij het perfide Albion ervan langs. Of het nu Blair of Thatcher betreft, het deugt niet. Hij maakt een originele vergelijking tussen Italië en Engeland. Na de Tweede Wereldoorlog stond Engeland er volgens allerlei indicatoren beter voor. Toen was de kindersterfte in Engeland drie keer lager en de Engelsen bezaten 12 keer zoveel auto’s. Inmiddels is de kindersterfte in Engeland hoger en de Engelsen leven minder lang dan de Italianen. Ook bezit Italië nu meer auto’s ondanks de politieke instabiliteit waarom het land berucht is. Berlusconi is sinds de oorlog de 59ste premier. Britse regeringen zitten gemiddeld zes keer zo lang. De inflatie is de laatste 40 jaar in Italië twee keer zo hoog geweest. Wat is het geheim van Italië dat het Engeland in veel opzichten is voorbij gestreefd? De verklaring is te vinden in corruptie. In Italië maakt corruptie onderdeel van het systeem uit. Dat voedt het wantrouwen van de burger in de overheid. Aan zo’n instantie betaal je zo weinig mogelijk belasting en je zorgt ervoor je eigen boontjes te doppen. Het is een uitdaging en goed voor je zelfvertrouwen om tegenover de overheid je gelijk te halen. Zo ontstaat een parallelle economie die een impuls voor de welvaart vormt. De Britse overheid geldt als onkreukbaar. Voldoe je niet aan de regels dan kun je het vergeten. Die gewaarwording leidt tot passiviteit en afhankelijkheid. Op vele maatschappelijke terreinen is de verantwoordelijkheid van het individu uitgehold. De staat zorgt voor gezondheidszorg, huisvesting, sociale zekerheid, onderwijs en veiligheid. Voor Britten is waiting for Godot het nationale tijdverdrijf, zo merkt Dalrymple spottend op. Corruptie is van nature een slechte eigenschap. Toch kan iets slechts in positieve effecten resulteren en andersom.

    De verzorgingsstaat is op zichzelf nog geen voldoende verklaring waarom veel Britten in een deplorabele situatie aan de onderkant van de samenleving verkeren. Pas in combinatie met een tolerante cultuur, waarin alles moet kunnen en iedereen de eigen korte termijn behoeften bevredigt, ontstaat een funest eindresultaat. Zo worden mensen de slaaf van hun permanente streven naar alcohol, drugs en sex. De kritiek van Dalrymple is niet afkomstig van iemand die hoofdschuddend zijn dagen in de doorzonwoning van een villawijk slijt. Hij heeft een groot deel van zijn werkzame leven besteed aan het werken met mensen die in de verdrukking zijn geraakt. Hij was actief in achterstandswijken en in gevangenissen. Illustratief is dat deze mensen bijna altijd als zelftypering tegenover hem spraken over depressief zijn. Ze zeiden niet “ik ben ongelukkig” maar “ik ben depressief”. Dat is een veelzeggend onderscheid. Depressief is een kwalificatie die de verantwoordelijkheid buiten jezelf legt. Daar moet een arts of een andere deskundige iets aan doen. Jij wacht af tot die ander zijn kunstje heeft verricht. De motivatie van Dalrymple putte hij uit de omstandigheid dat hij mensen tot de conclusie kon brengen “ik ben ongelukkig”. Dat is een voorwaarde om initiatief te nemen om zelf meer van je leven te maken.

    Een aparte kijk heeft Dalrymple ook op de wortels van het islamitisch fundamentalisme. Voor hem is het terrorisme niet de voorbode van een nieuwe heerschappij maar het symptoom van een achterhoedegevecht. Het probleem van de islam is het ontbreken van de scheiding tussen kerk en staat. Als alle dimensies van het leven doordesemd zijn van religie is elke verandering per definitie een bedreiging. Vooruitgang gedijt onder de randvoorwaarde van discussie en kritiek. Ontbreken die dan resteren slechts doodlopende wegen.

    Hoewel Dalrymple met overtuigingskracht zijn kritiek weet te onderbouwen zou een Popperiaanse benadering, waarvan hij een aanhanger is, welkom zijn. Waarom niet op zoek naar tegenbewijs. Kent Groot-Brittannië door toedoen van de verzorgingsstaat meer mensen aan de onderkant dan een land als Amerika waar de eigen verantwoordelijkheid altijd op de voorgrond heeft gestaan?

    Uit het bovenstaande mag niet de indruk ontstaan dat Dalrymple alleen bekritiseert en het vermogen tot bewondering mist. Hij schrijft met enthousiasme over kunstenaars die hij bewondert zoals Toergenjev, Stephan Zweig of de Amerikaanse schilderes Mary Cassett. Britten kom je dan nauwelijks tegen. Wel is er grote bewondering voor Shakespeare. Hij verdeelde de mensen niet in goed of slecht maar wist op verfijnde manier duidelijk te maken dat die scheidslijn door ieder mens loopt. Het lezen van Dalrymple is een stimulerende uitnodiging om de eigen opvattingen aan te scherpen. Voor een auteur is dat een groot compliment.