Leesimpressies

  • Wim Kayzer: Een schitterend ongeluk

  • Nr. 2 - 2009
  • Het leverde prachtige televisie op in de jaren negentig, de interviews van Wim Kayzer met vooraanstaande wetenschappers. Van het bijbehorende boek is nu een dertiende druk verschenen. De vragen die aan de orde komen hebben hun actualiteit behouden. Het gaat om grote vragen als ‘heeft het leven een doel’ of ‘wat is bewustzijn’ maar ook om kleine: hoe weet ik dat ik als ik wakker word dezelfde persoon ben die ik was toen ik ging slapen? Sterker nog aan het begin van dit aan Darwin opgedragen jaar valt op dat juist hij, de grondlegger van de evolutie, door alle bladzijden van het boek heen schemert. Veel van de uitzendingen heb ik indertijd gevolgd. Het is daarom een hernieuwde kennismaking maar ook een confrontatie met het eigen geheugen.

    Het boek bevat de uitgeschreven versies van de interviews en een nauwgezette weergave van de slotbijeenkomst in Hilversum van de interviewer met de zes Angelsaksische wetenschappers. Verdere toelichting ontbreekt nagenoeg geheel.

    Allereerst komt Wim Kayzer hulde toe voor zijn idee en initiatief. Hij heeft er voor gezorgd dat de denkers die aan het woord kwamen in Nederland een breder platform hebben gekregen. Voor mij waren de interviews met Freeman Dyson en Rupert Sheldrake het meest lezenswaardig. De denkwereld van de anderen is me via hun boeken enigszins vertrouwd geraakt maar deze beide heren ken ik uitsluitend via hun bijdrage aan Een schitterend ongeluk. Bij fysicus Dyson is er de herinnering aan de dilemma’s waar hij als medewerker van het Bomber commando tijdens de oorlog mee worstelde. Later zou hij nog veel werk voor de overheid verrichten wat hem de opmerking ontlokt dat hij decennialang rijkelijk betaald is voor adviezen die men naast zich neerlegt. Ook zijn opmerking mag er zijn dat je van natuurkundigen geen ideeën mag verwachten. Zij zijn goed in het maken van gereedschap.


    Pimpelmezen leren zonder les


    De bioloog Rupert Sheldrake is in het gezelschap een buitenbeentje. De anderen zien hem, aanhanger van het holisme, zelfs als een halve charlatan. Ik herinner me van hem de rust en gedrevenheid waarmee hij sprak waardoor je aan zijn lippen bleef hangen. Daar waren ze weer die wonderlijke berichten over de pimpelmezen en postduiven. Sheldrake gelooft in het bestaan van morfische resonantie dat wil zeggen dat leereffecten ontstaan zonder tussenkomst van contact of communicatie. Pimpelmezen hadden rond 1920 in Engeland ontdekt dat ze de doppen van melkflessen, die voor de deur werden neergezet, konden lostrekken om zo de inhoud op te drinken. De melkbezorging bestond toen al twintig jaar. In korte tijd gebeurde dat vervolgens overal in Groot-Brittanië hoewel pimpelmezen de gewoonte hebben dicht in de buurt van hun nest te blijven. Later verliep in Nederland de verspreiding nog sneller. Tijdens de bezetting was hier de melkbezorging afgeschaft om in 1948 te herbeginnen. Gezien de levensduur van pimpelmezen kon dat niet stoelen op eigen ervaring van de vogels. Daarom zou er heel goed iets kunnen bestaan als morfische resonantie. Bij het raadsel hoe postduiven hun thuisbasis weten te bereiken zou iets vergelijkbaars aan de hand kunnen zijn. In de slotbijeenkomst geeft Sheldrake een ongelofelijke opsomming van allerlei experimentele condities waarmee gewerkt is om potentiële alternatieve verklaringen uit te sluiten. Hoe morfische resonantie precies werkt is echter nog altijd niet bevredigend verhelderd.

    Een deel van de discussie in het boek gaat over de bereidheid om aan te nemen wat wetenschappers ons over de werkelijkheid vertellen. Vaak leiden hun inzichten tot het ontmythologiseren van opvattingen die we graag voor waar houden. Is de mens de kroon op de schepping of wat in wetenschappelijke kring een acceptabeler concept vormt ‘een schitterend ongeluk’? Is het niet zuur om te vernemen dat het zelf helemaal niet bestaat maar een fictie is die ons de illusie van regie over het eigen leven verschaft?

    Het boek staat vol duizelingwekkende vragen. Naast alle waardering voor het werk van Kayzer past ook kritiek. Kreeg je bij de televisie-uitzending als extra attractie de geïnterviewde zelf aan het woord met karakteristieke mimiek, het boek is aangewezen op de uitgeschreven vragen en antwoorden. De zwaarwichtige toon van Kayzer is soms een hinderlijke onderbreking van een betoog in wording. In plaats van door te vragen op de ingeslagen route gooit Kayzer dan weer een thuis voorbereid citaat in de strijd. Er staan van hem ongetwijfeld meer citaten dan vragen in het boek. Hij wil door zijn gesprekspartners zo graag voor vol aangezien worden dan het verstorend uitpakt. Het gebruik van de eerste persoon meervoud, na afloop nipten we van de calvados of gaan we naar de Red Sox, sluit de lezer buiten, terwijl de basisopdracht voor de interviewer is om de lezer aan te sluiten. Met name bij Gould veroorzaakt zijn optreden kribbigheid. Toch zal ik Kayzer dankbaar blijven voor het feit dat hij me juist met het werk van Gould in aanraking heeft gebracht: een uitzonderlijk scherpzinnig en nieuwsgierig mens. Deze grote opera- en honkballiefhebber is al weer bijna zeven jaar dood. Voor hij geboren werd wonnen de Red Sox diverse keren de World Series en na zijn overlijden al twee keer. In de zestig jaar van zijn leven echter nooit. Zijn opvatting dat de ontwikkeling van leven een amorele kwestie is, moet wel kloppen. Toch kwelt mij soms de vraag: wat zou Gould vinden van Daisuke Matsuzaka?