Leesimpressies

  • Zia Haider Rahman: In het licht van wat wij weten

  • Nr. 28 - 2015
  • Bangladesh is een land dat eerder associaties oproept met zinkende veerboten dan met literatuur. De in dat land geboren Zia Haider Rahman roept een ander beeld op al vermeldt hij in zijn roman ter bevestiging van het vooroordeel dat Bangladesh in het regenseizoen voor een derde onder water staat. Verder raast het boek als een wervelwind door de geschiedenis van de afgelopen decennia aan de hand van twee hoofdfiguren, twee hartsvrienden met een smet op hun onderlinge solidariteit. Bijna 600 bladzijden verder weten we wat er tussen hen is voorgevallen en nog veel meer. Rahman pakt uit met de aanslag op de Twin Towers, de bancaire crisis, de inval in Irak en Afghanistan met tussendoor wat colleges over wiskunde, filosofie en wetenschap. Het boek is overvol maar begint met een alledaags voorval. In september 2008 gaat de bel over in het huis te South Kensington waar de naamloze verteller woont met zijn vrouw. Op de stoep staat een broodmagere man van achter in de veertig, begin vijftig die hij na goed kijken herkent als zijn uit het oog verloren vriend Zafar. De twee voeren lange gesprekken waarvan de verteller verslag uitbrengt. Zafar blijft logeren.

    De hechte vriendschap tussen Zafar en de verteller dateert uit de tijd dat de twee in Oxford wiskunde studeerden. Ze zijn alle twee migranten maar wel met heel verschillende geloofsbrieven. De verteller heeft een Pakistaanse achtergrond maar bezit het Amerikaanse staatsburgerschap ontleend aan de periode dat zijn vader als wetenschapper in Princeton werkte. Zijn moeder is psychotherapeut. Zafar is afkomstig uit Bangladesh en van zeer eenvoudige komaf. Hij zal voortdurend strijd leveren om een plek te veroveren in de boezem van de Britse klassenmaatschappij. Later vertrekt hij naar de USA om aan Harvard rechten te studeren en uiteindelijk als advocaat aan de slag gaan. De verteller belandt in het bankwezen en speelt een actieve rol bij het uitdenken van ondoorzichtige constructies die we nu als de veroorzaker van de bankencrisis beschouwen. Zafar vertelt. De verteller noteert. De twee testen elkaar op hun eruditie en de verteller onderbreekt het betoog frequent om commentaar te leveren op de levensloop van zijn vriend en voor overwegingen over hoe hij als biograaf te werk gaat. Het verhaal springt van de hak op de tak maar weet vanwege de spitsvondigheid van het tweetal meestal te boeien. We reizen van de Onvolledigheidsstelling van Gödel (beweringen kunnen waar zijn zonder dat bewezen kan worden dat ze waar zijn) naar het cynisme van de adviseurs die in Kabul en Islamabad een stukje wederopbouw doen. Iedereen heeft het beste voor met de lokale bevolking. Via de vele anekdotes herkent de verteller zijn oude vriend opnieuw en herleeft aanvankelijk hun vertrouwdheid.

    Het was nog dezelfde eigenaardige mengeling van beleefdheid en gereserveerdheid, die ik in mijn jeugd aanzag voor een van zijn charmes en niet als iets waarmee hij mensen op een afstand hield


    Het boek switcht herhaaldelijk tussen het wereldtoneel en particuliere besognes. We komen veel te weten over de liefde tussen Zafar en zijn aristocratische Emily Hampton-Wyvern. Kun je verliefd worden op een vrouw die je niet mag, is de vraag die open blijft. Ook het huwelijk van de verteller met zijn ambitieuze Meena zit in het slop. De vrouwen krijgen een weinig flatteus portret.
    Het sprankelende van de roman zit in de vele wijsheden en scenewisselingen waarop Rahman de lezer trakteert. Elk hoofdstuk begint met enkele citaten die het thema dat behandeling krijgt inleiden. Soms gaat de wijsneuzigheid irriteren maar veel vaker overheerst de bewondering voor de vele spitsvondigheden die aan de orde komen. Religie is een onderwerp dat gezien de pretenties van het boek niet overgeslagen mag worden. Fraai is het citaat van Desmond Tutu. “Toen de eerste missionarissen naar Afrika kwamen, hadden zij de Bijbel en wij het land. Ze zeiden: ‘Laten we bidden.’ Wij sloten onze ogen. Toen we ze weer openden, hadden wij de Bijbel en zij het land.” Het zijn niet alleen grote namen die de aandacht opeisen. Een bevriende academicus op Princeton had de volgende tekst op zijn antwoordapparaat ingesproken. “Wie ben je en wat wil je? Sommige mensen doen er een heel leven over om deze vragen te beantwoorden. Maar jij hebt maar dertig seconden.”
    Zia Haider Rahman heeft mijn zijn debuutroman laten zien dat hij veel talent in huis heeft. Dat maakt nieuwsgierig naar wat nog volgt. Vroeg in de ochtend ergens in februari trekt Zafar de deur van het huis in South Kensington zonder afscheid te nemen achter zich dicht. De logeerpartij is voorbij, de balans opgemaakt. Hij stuurt per mail nog een foto. Einstein en Gödel lopen keuvelend in een leeg landschap. Het verstilde decor is Princeton. Ademloos blijft de lezer achter.