Leesimpressies

  • Amartya Sen: The idea of justice

  • Nr. 30 - 2016
  • Economen kunnen achteraf elke crisis zien aankomen. Bereidwillig roepen zij hun adviezen naar politici. De ene roept volle kracht vooruit, de volgende je moet meer naar stuurboord en de ander gebiedt het anker te laten zakken. Economie is een duur woord voor wispelturigheid. Wat mij evenmin voor deze discipline inneemt, is de fixatie op geld, liever nog op kapitaal. Op deze manier dreigt een middel tot doel verheven. Soms tref je een econoom die zich op een weldadige manier weet te onderscheiden van zijn vakgenoten door zich bijvoorbeeld met overgave op feiten te storten zoals Thomas Piketty of door consequent een eigen visie uit te werken. Tot die laatste categorie reken ik de uit India afkomstige Amartya Sen. Zijn gedachtegoed is mij bekend via artikelen van of over hem en uit interviews. Aan boeken van zijn hand was ik nooit toegekomen. Ik was toe aan een inhaalslag. In korte tijd maakte ik kennis met Identity & Violence, waaruit je kunt leren hoe riskant het is om mensen te reduceren tot slechts een kenmerk bijvoorbeeld moslims met terrorisme. Een persoonlijk verslag met ruime aandacht voor de eigen wortels is te vinden in The argumentative Indian. De meeste indruk maakte op mij The idea of justice waarin Sen een eigen exercitie onderneemt naar de vraag wat rechtvaardigheid is.

    Sen ruimt veel aandacht in om zijn eigen positie te bepalen in relatie tot die van zijn voorgangers. Een monument in het denken over rechtvaardigheid is John Rawls. Sen bewondert Rawls maar komt uiteindelijk tot een opvatting die zich afzet tegen Rawls. Wat hem niet bevalt in het denken van Rawls is dat hij zich inspant om een ideale opvatting van rechtvaardigheid te componeren die verankerd dient te zijn in instituties. Het zoeken naar een ideaal is een abstracte bezigheid die je afhoudt van het lenigen van acute noden. Voor Sen is het bestrijden van onrecht een grotere drijfveer dan het zoeken naar de optimale vorm van rechtvaardigheid. Dat ideaal is niet nodig om honger of ziekte te bestrijden. Sen heeft ooit naam gemaakt met zijn studie over hongersnood. Hij heeft daarin aangetoond dat hongersnood nooit voorkomt in een democratie. Honger wordt vaak niet zo zeer beïnvloed door te weinig voedsel maar door gebreken in het systeem van distributie bijvoorbeeld doordat verontrustende indicaties niet tijdig bij beleidsmakers arriveren of doordat beleidsmakers zich daar weinig aan gelegen laten. Voor Sen is het voeren van een publieke discussie een onmisbaar element in het diagnosticeren en oplossen van problemen. Daar heb je democratie voor nodig. Dat is een systeem waarbij machthebbers verantwoording dienen af te leggen aan de bevolking en dat in de uitwisseling van informatie, inclusief een vrije pers, een fundament heeft. Voor hem is democratie besturen door middel van discussie. Ook voor rechtvaardigheid, of liever voor het bestrijden van onrecht, is discussie essentieel. Sen is vol vertrouwen dat argumentatie zal leiden tot bevredigende oplossingen.

    The remedy for bad reasoning lies in better reasoning, and it is indeed the job of reasoned scrutiny to move from the former to the latter


    Wat Sen als econoom typeert is dat hij kritisch staat tegenover gangbare grootheden in zijn vakgebied. Hij kijkt minder naar inkomen en vermogen of naar iets als het Bruto Nationaal Product. De verleiding om te kijken naar inkomen en vermogen is groot omdat die zaken makkelijk kwantificeerbaar zijn. Ze kennen een suggestie van exactheid. Je moet echter niet naar de middelen kijken waarover iemand beschikt maar naar wat je daarmee kunt doen. Belangrijk voor mensen is om toegang te hebben tot onderwijs en tot gezondheidszorg. In de terminologie van Sen staan capabilities centraal. Ook die zaken zijn meetbaar te maken al kost dat wel wat meer moeite. “The capability metric is superior to a resource metric because it focus on ends rather than on means…”
    Hoewel Sen een concrete aanpak voorstaat is zijn betoog soms aan de abstracte kant. Voor mij is hij het meest overtuigend als hij zijn betoog illustreert met concrete voorbeelden. Op verschillende punten haalt hij een dilemma aan van drie kinderen die aanspraak maken op dezelfde fluit. Anne vindt dat de fluit haar toekomt omdat zij de enige is die erop kan spelen.. Bob vindt dat hij in aanmerking komt omdat hij in vergelijking met de anderen helemaal geen speelgoed heeft. Carla vindt dat zij recht heeft op de fluit want zij heeft hem immers gemaakt. Sen benadrukt dat de kinderen alle drie een plausibel verhaal hebben. Je zou de zwaarte van hun argumenten kunnen wegen en ook kunnen kijken hoe zij scoren op de punten die de anderen naar voren brengen. Door alle overwegingen in een beschouwing te betrekken is de kans groot dat zich een meest redelijke oplossing aandient. Daarbij is het wezenlijk om een casus te beoordelen op een manier waarbij gevestigde belangen buiten spel blijven. Het oordeel over recht of onrecht kan het best geschieden door een ‘impartial spectator’. Deze constructie van Sen doet denken aan wat bij Rawls ‘the veil of ignorance’ heet. Zo is er ook nog verwantschap te ontdekken in de twee afzonderlijke benaderingen van rechtvaardigheid. De slotconclusie luidt dat het als lezer moeilijk is om niet onder de indruk te raken van de nuance en consistentie waarmee Sen zijn onderwerp onder handen neemt.