Leesimpressies

  • Cynthia Ozick: Dictaat

  • Nr. 35 - 2010
  • Qua lezen zit ik in een fase van de rijpere joodse meisjes. Vorige week was het Stefanie Zweig, bouwjaar 1932, nu Cynthia Ozick uit 1928. Sinds ik op You Tube een interview met de toen tachtigjarige Ozick zag, op een podium met een meelevende zaal, wist ik dat het noodzakelijk was om van haar een boek te lezen. In het interview verdedigde zij het standpunt dat een schrijver op zoek is naar erkenning en niet naar roem. Roem is hooguit een bijproduct. Als je op die leeftijd in een bijzin Norman Mailer glimlachend weet weg te zitten, dan beschik je over persoonlijkheid. Het boek werd de verhalenbundel Dictaat, in het Engels Dictation. De ouders van Cynthia Ozick waren afkomstig uit Oost-Europa. Zelf werd ze geboren in New York waar haar ouders een apotheek bestierden. Ze schrijft naast romans en verhalen regelmatig essays waarin zij haar passie voor literatuur uitdraagt. Ook in haar fictie komen regelmatig schrijvers voor zoals Bruno Schulz in The messiah of Stockholm. Haar bloei als schrijfster kreeg pas ruim na haar veertigste gestalte.

    De langste en meest fonkelende bijdrage in de verhalenbundel vormt het titelverhaal. Het jaar is 1901. Op het Engelse platteland, in het buitenverblijf van de serene vrijgezel Henry James, is alles in gereedheid gebracht om collega Joseph Conrad te ontvangen. De twee schelen veertien jaar. James is een gearriveerd schrijver. Conrad heeft een exemplaar van zijn debuut aan James opgestuurd. De twee hebben elkaar voordien in Londen ontmoet. Conrad die in het Engels schreef, hoewel dat niet zijn moedertaal is, kijkt met bewondering op naar het vakmanschap van James. Tegelijk heeft hij bij diens werk vanwege het kille karakter de nodige aarzeling. De twee wisselen ervaringen en visies uit. Zoals in de afgelopen decennia schrijvers met vallen en opstaan de overstap hebben gemaakt naar het gebruik van de computer, stonden schrijvers honderd jaar terug onzeker tegenover de komst van de typemachine. James heeft zich al zo’n machine aangeschaft, Conrad heeft bedenkingen. Schrijven is een ambachtelijk vak waaraan soms personeel te pas komt. James heeft een vrouwelijke assistente, een amanuensis, die uittikt wat hij bedenkt. Conrad zal eveneens een amanuensis in dienst nemen.


    James vond Conrads werk een oerwoud van onbeteugelde overdaad; Conrad zag bij James slechts bloedeloos albast


    Ozick begint het verhaal met de verhouding tussen James en Conrad te schetsen. Geleidelijk verplaatst zij het perspectief naar de verhouding tussen de twee assistentes, juffrouw Bosanquet en juffrouw Hallowes. In de marge van een ontmoeting tussen de beide schrijvers treffen zij elkaar, overigens zonder opzet tot contact. Juffrouw Bosanquet probeert haar collega in te palmen. Behalve haar verliefdheid is er nog een motief in het spel. Zij heeft het plan opgevat om een rol te spelen in het werk van haar opdrachtgever. De twee vrouwen koesteren een grote eerbied voor hun werkgevers. Hun werkgever is de beste schrijver die er is. Langzaam ontvouwt Ozick hoe de beide dames een gooi naar de eeuwigheid doen al zal dat hun positie in de anonimiteit niet opheffen.

    Ozick is als schrijver gefascineerd door de rol van outsiders, om niet te zeggen van excentriekelingen. Zij geeft hen een missie. Haar personages geven gevolg aan een obsessie. Die route brengt zij in kaart. Zij doet dat in glashelder proza. Haar woordkeus is trefzeker. Zij geeft haar zinnen zo veel betekenis mee dat zij het in haar werk niet van de omvang hoeft te hebben. Kernachtig brengt zij haar personages tot leven. Daarin is ze de ene keer succesvoller dan de andere. In het verhaal “Fumicaro” is dat minder goed gelukt. Daarin volgen we een kunstcriticus bij een bezoek aan een besloten conferentie in het Italië van Mussolini. Ozick vindt haar inspiratie vaak in het verleden. De criticus ontmoet bij aankomst een veel jongere vrouw die kokhalzend boven een toiletpot hangt. Een onromantischer start van een kennismaking is nauwelijks denkbaar. Ondanks het leeftijdsverschil en ondanks de culturele kloof trouwen de twee binnen enkele dagen. Het is een verhaal dat de geloofwaardigheid te boven gaat, althans bij mij. Het slotverhaal maakt gelukkig veel goed. Daarin is de hoofdrol weggelegd voor een verstokte vrouwenjager die een kunsttaal heeft ontworpen om het Esperanto van Zamenhof concurrentie aan te doen. Het motief is wraak. Aanhangers van het Esperanto hebben hem in het verleden schade berokkend. Ozick beschrijft met overtuiging hoe deze charlatan zijn obsessie najaagt. Zij kan als geen ander schetsen hoe mensen voor wie het leven een bijrol in petto heeft, zich inspannen om, via welke kunstgrepen dan ook, toch een plek op een podium te veroveren. Tot uiteindelijk het doek valt. Met of zonder applaus. Ik zie er naar uit om te beginnen aan De sjaal of misschien wel eerst aan Erfgenamen van een glinsterend pantser. Een eerste klas schrijver van wie je meer niet dan wel gelezen hebt, blijft een heerlijk vooruitzicht.


Lijstjes

Deze auteur komt voor in de lijstjes: